Frenkie de Jong en het ontstaan, verdwijnen en opnieuw uitvinden van de libero

1. Ontstaan van de libero (jaren ’30 – jaren ’60)

Verrou

Het woord ´libero´is afkomstig uit het Italiaans, waar het ´vrij´ betekent, maar het idee van de vrije verdediger is niet origineel afkomstig uit Italië. Het idee van de vrije verdediger -door hem ´verrou of grendel’ genoemd- gaat terug tot Karl Rappan, De Oostenrijkse trainer van het Zwitserse nationale elftal in de dertiger jaren.

verrou-1938

Hij had op clubniveau al successen behaald met een vrije verdediger en hij besloot het systeem ook toe te passen op het WK in 1938. Rappans systeem werd uitgevoerd door een viermans defensie met daarbij een ausputzer achter drie ‘normale’ verdedigers. Het idee kwam vooral door de mindere kwaliteit van de Zwitserse selectie die hij wilde compenseren door een extra verdediger die doorgebroken spelers opving. Hij was hiermee een inspiratie voor vele trainers, en meteen een frustratie van teams met betere spelers.

Catenaccio

In de jaren vijftig werd deze tactiek verder uitgewerkt door Nereo Rocco (foto), die coach van Padova Calcio was: Het beroemde Italiaanse catenaccio-systeem, waarbij de nadruk ligt op verdediging en counters. Het systeem van Rocco, ook weleens het ‘eerste echte’ catenaccio genoemd, werd bekend toen hij in 1947 werkzaam was bij US Triestina. Hij speelde voornamelijk met een 1-3-3-3-formatie en speelde erg defensief. Met deze catenaccio werd de club verrassend tweede in de Serie A. In dit systeem is de vrije verdediger een extreem verdedigende speler, die vooral rond zijn eigen achterlijn te vinden is.

Het systeem is bekend geworden doordat de Argentijnse coach Helenio Herrera bij Internazionale er veel gebruik van maakte in de jaren zestig. Hij koos voor een libero als onderdeel van een vijfmans-defensie die mandekking toepasten. Inter won in die tijd geregeld wedstrijden met uitslagen als 1-0 of 2-1; met weinig tegendoelpunten dus.

Het ontstaan van de libero kwam dus vooral voort uit het willen inbouwen van defensieve zekerheid d.m.v. een ausputzer. Begin jaren ’70 veranderde dit.

2. Libero met aanvallende intenties (jaren ’70 – jaren ’90)

Begin jaren ’70 ontwikkelt de ausputzer zich tot een speler die zichzelf in balbezit inschakelt en inschuift richting het middenveld: de libero. Daardoor veranderen de eigenschappen die gevraagd worden van deze speler: techniek, inzicht, lange pass en een goed schot worden belangrijker. Hierdoor wordt dit een positie waarbij een extreme veelzijdigheid gevraagd is.
Het totaalvoetbal tentoongespreid door Ajax en Oranje begin jaren ’70, zorgt door de vele positiewisselingen voor veel problemen bij het catenaccio-systeem, dat op mandekking gebaseerd is.
Bij het succesvolle Ajax van begin jaren ’70 zien we de rol van libero ingenomen worden door de Duitser Horst Blankenburg. Qua stijl had hij behoorlijk veel weg van Frenkie de Jong, meestal opkomend aan de linkerkant van het veld en voetballend comfortabel. In de rug gesteund door de sterke mandekker Barry Hulshoff,  kon hij zich vooral bezighouden met de opbouw. Vreemd genoeg speelde hij geen interlands voor Duitsland, alhoewel, eigenlijk niet zo vreemd, aangezien hij daar Franz Beckenbauer voor zich had. Hij had eigenlijk alles wat een libero moest hebben: inzicht, techniek, heerlijke pass vooral buitenkant rechts, een versnelling, kopkracht, maar vooral een goede uitstraling die vertrouwen gaf aan de trest van zijn team. Nu nog is ‘der kaiser’ de verpersoonlijking van de libero, bij het googlen komt zijn afbeelding direct in beeld.
De Italianen hebben inmiddels een antwoord gevonden op het totaalvoetbal d.m.v. Zona Mista (Italiaans voor ‘gemengde zone’) Het was een combinatie van de kracht van zonale dekking en de sterke punten van het catenaccio. Tijdens het einde van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig was Zona Mista de dominante tactiek en tijdens het WK 1982 beleefde het Italiaans voetbalelftal grote successen door de wereldtitel binnen te slepen. Een sterke libero komt bovendrijven in de persoon van Gaetano Scirea, die vele successen zal gaan behalen met Juventus en het Italiaanse elftal, maar als onderscheidende kenmerk heeft ten opzichte van Beckenbauer en Blankenburg dat hij verdedigend erg sterk en in balbezit iets minder avontuurlijk is.
In dezelfde periode (eind jaren ’70, begin jaren ’80) heeft ook Argentinië met Daniel Passarella een uitstekende libero in zijn gelederen. Zijn bijnaam luidde “El Gran Capitán” (de grote kapitein) of “Kaiser” (een verwijzing naar Franz Beckenbauer) vanwege zijn grote leiderschapskwaliteiten, zijn passie en zijn organisatievermogen op het veld. Ook in de lucht heerste Passarella, zowel in de verdediging als in de aanval. Ondanks zijn geringe lengte (1.73) scoorde hij regelmatig met het hoofd. Hij had een sterke vrije trap en was goed in het nemen van strafschoppen. Hij was ook berucht om het gebruik van zijn ellebogen tegen tegenstanders zonder dat de scheidsrechter het in de gaten had.  Passarella was een verdediger die graag meedeed in de aanval en regelmatig zijn doelpunten meepakte. Hij is tijdelijk de meest veelscorende verdediger ooit geweest, met 134 doelpunten in 451 wedstrijden.
Dit record is uiteindelijk verbroken door Ronald Koeman, die eind jaren ’80, begin jaren ’90 als speler van PSV, Barcelona en het Nederlands elftal, indruk maakte als libero met een goede strakke pass en een uitstekende vrije trap .
In deze periode hadden de meeste topteams een sterke libero, zoals: Franco Baresi, Manuel Sanchis, Lothar Matheus en later Fernando Hierro en Matthias Sammer, ieder met zijn eigen kenmerkende kwaliteiten. Tot eind jaren ’90 de zoneverdediging een steeds sterkere trend wordt en de libero langzaam verdwijnt. Als belangrijkste reden hiervan kan worden gezien, dat er tactisch steeds beter ingespeeld kan worden door een tegenstander op 1 balvaardige opbouwer (de libero) en 1 voorstopper die zich over de spits ontfermt. Door de libero vast te zetten, wordt de mindere opbouwer gedwongen om op te bouwen.

3. Het verwijnen van de libero (jaren ’00 en ’10)

Wat volgt is een periode waarbij de verdediging met 4 man op 1 lijn gewoongoed is bij de meest succesvolle teams. Toch wordt er incidenteel nog succes geboekt met een libero: zo wint het kwalitatief zwakke Griekenland met Dellas als defensieve libero het EK in 2004, een tactische vondst van Otto Rehhagel. In zo’n geval kan een dergelijk systeem toch nog zijn waarde hebben.
Maar over het algemeen dus 2 centrale verdedigers naast elkaar: de ene centrale verdediger pakt de spits op, de andere geeft rugdekking, of andersom. Beide centrale verdedigers verzorgen de opbouw. Maar zelden wordt er risico genomen of flair getoond aan de bal door deze spelers, dat is vooral de taak van de backs (denk aan Lahm, Marcelo, Alaba) en de verdedigende middenvelders (Pirlo, Xavi, Xabi Alonso) de laatste jaren. Daarnaast is het meevoetballen van keepers de laatste jaren van een steeds hoger niveau geworden, zodat ook zij de opbouw van achteruit mede kunnen verzorgen.
De centrale verdediger is deze periode fysiek sterk en lang (minimaal 1.85), vooral verdedigend uitblinkend, houdt de afstand tussen collega-verdedigers goed in de gaten en neemt aan de bal weinig risico. Daarnaast houdt hij sterk vast aan zijn positie in de zone.

4. De revival van de libero (2015-)?

3-mans-verdediging

Wat we sinds een aantal jaar zien, is de opkomst van een drie-mans-verdediging. Ronald Koeman deed het al bij Feyenoord, Louis van Gaal bij het Nederlands elftal op het WK in 2014 en Antonio Conte bij Juventus, het Italiaans elftal en Chelsea. Zo ontstaat de libero 2.0. Vanuit de laatste lijn bestrijkt hij het hele veld en bemoeit hij zich nadrukkelijk met de opbouw. Veelal kleinere spelers met een ander profiel als de centrale verdediger uit de voorgaande jaren. Zo staat bijvoorbeeld Cesar Azpilicueta bij Chelsea in de Premier League op vijf assists: allemaal voorzetten op spits Álvaro Morata.

Een rol die in Engeland beschreven is als ‘box-to-box-center-back’ en zich niet beperkt tot Chelsea. David Alaba (1,80 meter) en Joshua Kimmich (1,76) maakten onder Pep Guardiola indruk vanuit deze nieuwe taakopvatting bij Bayern München. Zoals Benjamin Henrichs (1,83) en Wendell (1,76) regelmatig zo spelen bij Bayer Leverkusen en Gary Medel (1,71) dat heeft gedaan in de driemansdefensie van Chili.

Vooral in Spanje en Duitsland is de driemansdefensie aan een stevige opmars bezig. In beide competities wordt dat mede veroorzaakt door trainers die hun teams in verschillende formaties laten aantreden, waardoor ook opties met drie verdedigers aan bod komen. Denk daarbij aan teams als Barcelona, Sevilla en Borussia Dortmund.

De Eredivisie is een verhaal apart, aangezien de trends uit de internationale competities daar geen enkele invloed lijken te hebben. In de gehele jaargang 2014/15 begonnen slechts vier teams in een formatie met drie of vijf verdedigers. Goed voor nog geen één procent van het totaal. In 2015/16 gebeurde het 25 keer en in de huidige jaargang zes maal. De komst van Erik ten Hag als trainer bij FC Utrecht verklaart bijna alle variatie. Hij startte zelf een aantal keer in een 5-3-2-formatie en tegenstanders wisselen tegen de Domstedelingen vaak van tactiek. Zijn aanstelling bij Ajax is uit dat oogpunt bijzonder interessant: gaat hij voortborduren op de bij FC Utrecht gekozen tactiek of niet?

Bron: VI Pro

4-mans-verdediging

Maar niet alleen in een 3-mans-defensie komt de libero-rol meer naar voren, de laatste jaren wordt, vaak afhankelijk van de tegenstander, de rol van libero nieuw leven ingeblazen in een 4-mans-defensie. Zo speelde Xabi Alonso bij Bayern München in deze rol, net als Sergio Ramos bij Real Madrid. Meer en meer coaches denken dus aan deze mogelijkheid om een tegenstander de wil op te leggen.

Soms is een toevallige samenloop van omstandigheden de oorzaak van deze tactische vondst: al maanden klopte middenvelder Frenkie de Jong op de deur bij Ajax: comfortabel aan de bal, techniek en inzicht, versnelling en goede pass in huis. Probleem alleen is een goed middenveld waar niet echt plaats is met Donny van de Beek, Lasse Schone en Hakim Ziyech. Tot 26 november 2017 wanneer Ajax na een zwakke 1e helft met 1-1 gelijk staat tegen Roda JC. Trainer Marcel Keizer staat -wat later blijkt- onder druk en besluit het systeem om te gooien. Gevolg is het glasrijke invallen van Frenkie de Jong als libero voor Zeefuik en met 3 assists zorgend voor een 5-1 einduitslag.

In 1 van zijn laatste wedstrijden als trainer van Ajax, blaast Marcel Keizer de rol van libero nieuw leven in. Bijzonder, omdat het Nederlandse voetbal de laatste jaren toch niet bekend staat om zijn innovatieve ideeën. In de volgende wedstrijden (ook in de topper tegen PSV) blijft de rol van Frenkie de Jong gehandhaafd. Met succes: Ajax verliest geen wedstrijd meer en wint de toppers tegen PSV en AZ Alkmaar. Helaas vindt Marcel Keizer bij de na penalty’s  verloren bekerwedstrijd tegen FC Twente zijn Waterloo.
Grote vraag is nu of Erik ten Hag de rol van Frenkie de Jong zal handhaven, of zal kiezen voor zijn vertrouwde systeem die hij hanteerde bij FC Utrecht. Het Ajax van de laatste maand heeft laten zien dat het spelen met een libero nog kan in het hedendaagse voetbal, het is te hopen dat we de verdere ontwikkeling hiervan te kunnen volgen. To be continued….

 

 

 

Advertenties