(Oud)internationals die terugkeren uit het buitenland, is dit succesvol?

Robin van Persie gaat binnenkort terugkeren bij Feyenoord en velen vragen zich af of dit verstandig is. We kennen allemaal het voorbeeld van Frank Rijkaard, die erg succesvol terugkeerde bij Ajax in 1994, of Dirk Kuijt, die Feyenoord kampioen maakte in 2017. Maar zijn er ook minder positieve voorbeelden, hoe ontwikkelt dit de laatste jaren en wat zijn de succesfactoren?

Frank Rijkaard

Pim van Dord over de Champions League finale in 1995: ‘We speelden tweemaal in de groepsfase tegen Milan, dat ging ons redelijk makkelijk af.’ Maar tijdens de finale stond het in de eerste helft tactisch niet goed. Net als assistent-trainer Gerard van der Lem wijst de fysiotherapeut op wat zich in de rust voltrok in de kleedkamer, een moment van belang.

‘Ronald de Boer stond in de spits, normaal gesproken onze rechtshalf. Nu stond Clarence Seedorf daar. Maar hij stond niet diep genoeg op het middenveld, waardoor de Italianen de opbouw van Rijkaard en Blind constant konden verstoren.’ In de rust werd Seedorf daar volgens Van Dord opgewezen door de broertjes De Boer. ‘Clarence was natuurlijk eigenwijs, en was het er niet mee eens.’

Het zorgde ervoor dat Rijkaard opstond. ‘Hij was iemand die dat bijna nooit deed. Rijkaard zei: je moet naar Frank en Ronald luisteren, ze hebben gelijk. En Clarence keek enorm tegen hem op, dus toen dacht hij ook wel even: wacht effe.’

Van Gaal kon er daardoor ook makkelijker op inspelen in de tweede helft. Clarence stond nog steeds niet echt diep genoeg.’ Na tien minuten werd hij gewisseld voor de Nigeriaanse spits Nwankwo Kanu. Ronald de Boer zakte terug naar rechtshalf. ‘Zo kregen we meer ruimte en mogelijkheden op het middenveld en gingen we ook beter voetballen.’

Na de late goal van Patrick Kluivert en ‘de rondes om het veld’ zocht Van Dord de kleedkamer weer op. ‘Daar ging ik lekker relaxen in een warm bad, biertje erbij.’ Samen met Frank Rijkaard en Van Vossen kwam hij bij van alle vrijgekomen emoties. ‘Daar in dat bad besefte Frank wel hoe uniek dit was. Dat hij drie Europa Cups had gewonnen en natuurlijk het EK van ’88. Het toonde de gedreven kampioen.’

Bron: www.volkskrant.nl

 

Dirk Kuyt

Zijn grootste prestatie zou hij Dirk Kuyt pas aan het einde van zijn loopbaan neerzetten. In 2015 kwam Kuyt met een droom terug bij Feyenoord: voor het eerst sinds 1999 moest de landstitel terugkomen naar Rotterdam. In zijn eerste jaar moest Kuyt, na een 2-1 zege op zijn oude club FC Utrecht in de finale, nog genoegen nemen met de KNVB Beker. Maar in zijn laatste seizoen als profvoetballer kwam zijn droom dan toch uit. Na een uitermate stabiele jaargang, waarin Feyenoord van begin tot eind bovenaan stond, bezorgde Kuyt zijn club met een hattrick in de kampioenswedstrijd de langverwachte landstitel. Zijn laatste kunstje.

Kuyt had het vaak moeilijk dit seizoen, bovenal omdat hij steeds vaker op de reservebank belandde. Maar ook in die weken was hij nog altijd van waarde, al was het maar als roerganger in de kleedkamer, of als invaller in de slotfase. De beloning volgde zondagmiddag tegen Heracles, als basisspeler in een uitzinnige, zinderende Kuip.

Al na 38 seconden ontplofte het stadion dankzij de Katwijker, toen Mike te Wierik uitgleed, en Kuyt plots oog in oog stond met keeper Bram Castro. De rook van het vuurwerk hing nog over het veld, de opgepompte spanning was voelbaar, maar geen moment twijfelde de aanvoerder, hard en loepzuiver raak schietend: 1-0.

Waanzinnig van vreugde rende de complete Feyenoord-selectie het veld in, achter de aanvoerder aan. Uitgerekend Kuyts honderdste goal in het shirt van Feyenoord – en met enige voorsprong de belangrijkste.

Dik tien minuten later was het opnieuw raak, toen Eljero Elia knap voorzette, en Kuyt vallend binnenkopte: 2-0. Onmiddellijk rende de voetballer naar de geschorste Tonny Vilhena aan de zijlijn, de man aan wie hij indirect zijn basisplaats te danken had, door een onterechte gele kaart op Woudestein.

Maar dit was zo’n sportverhaal dat niet van dergelijke details of toevalligheden aan elkaar hing. Zijn derde goal volgde na 83 minuten uit een strafschop, als de definitieve opmaat naar een ongekend Rotterdams volksfeest.

Kuyt die Feyenoord naar de eerste landstitel sinds 1999 schiet: het moest gewoon zo zijn.

Bron: www.ad.nl

Ontwikkeling door de jaren heen

Als gekeken wordt naar de spelers die in 1992 international waren, komen we tot het onderstaande overzicht:

Z

Hierbij vallen een aantal zaken op:

  • Relatief jonge leeftijd bij terugkeer

Behalve Adri van Tiggelen en Jan Wouters keerde iedereen terug bij een leeftijd van 32 jaar of jonger.

  • Lange periode nog actief

Op Bryan Roy na speelde iedereen nog minimaal 2 seizoenen. Stan Valckx en Peter van Vossen haalden de 5 seizoenen, Erwin Koeman zelfs 8.

  • Presterend naar verwachting of boven verwachting

Alle spelers hebben nog waarde voor hun club, met als positieve uitschieters Ronald Koeman (foto) en Frank Rijkaard. Met Rijkaard als belangrijke schakel en mentor voor jonge spelers won Ajax de Champions League in 1995, Koeman had 2 sterke seizoenen bij Feyenoord na zijn terugkeer van FC Barcelona.

Voor 2002 komen we tot het volgende overzicht:

ZZ

Vergeleken met 1992 is dit opvallend:

  • Gemiddelde leeftijd bij terugkeer ligt bijna 2 jaar hoger

M.a.w.: spelers gaan langer door bij hun buitenlandse club, mede ook door de verslechterde positie van Nederlandse clubs t.o.v. de rest van Europa. Hierdoor ontstaat ook het volgende opvallende punt:

  • Korte periode actief na terugkeer

Dit neemt drastisch af: van gem. 3,6 jaar naar 2,1 jaar. Geen enkele speler speelt meer dan 3 seizoenen door.

  • Mindere gemiddelde prestatie

Ook veroorzaakt door het late terugkeren, zo zijn Patrick Kluivert en Michael Reiziger (foto)´op´ bij hun transfer naar PSV. Toch zijn er nog wel een flink aantal (redelijk) succesvol, zoals Giovanni van Bronckhorst, Phillip Cocu, Paul Bosvelt en Roy Makaay.

Kijken we vervolgens naar de internationals van 2012, zien we dat een aantal spelers nog actief is, dus het absolute aantal dat terugkeert is daardoor minder. Een aantal spelers dat al teruggekeerd is, is daarnaast ook nog actief:

zzz

Hierbij valt dit op:

  • Clubs waar spelers van terugkeren zijn van een beduidend minder niveau

Waar bij de vorige overzichten spelers terugkeerden van Bayern München, FC Barcelona en AC Milan, zijn dat nu clubs als Sheffield Wednesday, Hertha BSC en Aston Villa. De oorzaak is het mindere niveau van onze internationals, maar ook het langere wachten met een terugkeer. Dit zien we ook terug bij de gemiddelde prestatie, die door Dirk Kuyt nog verbloemd wordt. Ook hier bleken een aantal spelers (Boulahrouz, Heitinga (foto)) ´op´ te zijn na hun terugkeer.

  • Het aantal nog actieve jaren neemt verder af

Het lijkt erop dat spelers nog maar voor erg korte tijd terugkeren, op het moment dat de `financiële citroen` in het buitenland compleet uitgeknepen is. Zo gingen Kuyt en Van Persie eerst nog naar Turkije, alvorens terug te keren naar Feyenoord.

Conclusie

Het is dus duidelijk dat momenteel (oud)internationals pas terugkeren als hun carrière al een aantal jaar in een neerwaartse spiraal zit, mede door financiële motieven. Het aantal spelers dat nog echt toegevoegde waarde heeft is een stuk kleiner dan 20 jaar geleden.

De spelers die nog wel toegevoegde waarde hebben, zie de spelers die fysiek nog in orde zijn en qua leiderschap en voorbeeldfunctie (Koeman, Rijkaard, Kuyt, Cocu, Van Bronckhorst) nog meerwaarde hebben en op die manier een voortrekkers-rol kunnen vertolken.

Robin Van Persie heeft de naam niet altijd even goed om te kunnen gaan met een mogelijke bijrol, maar heeft ook de naam op en top prof te zijn, wat dan weer als voorbleedfunctie een succesfactor zou zijn. Het wordt daarom afwachten voor het succes van de terugkeer, welke van deze 2 eigenschappen de overhand gaat krijgen.

 

 

 

 

 

Advertenties

Beneliga, noodzakelijk of gedoemd te mislukken?

Het Nederlandse clubvoetbal is dit seizoen op een historisch dieptepunt aangeland. In de Europese competities waren we meer kansloos dat ooit, ook tegen clubs uit kleinere voetballanden. Financieel kunnen we al lang niet meer concurreren met de grote landen, maar konden we dat 20 a 30 jaar geleden ook al niet, toen we juist wel sucessen boekten? Zo nu en dan laait het idee voor een Beneliga weer op, om meer slagkracht te krijgen tegenover de grote landen. Zorgt dit echt voor meer slagkracht en wat zijn de consequenties voor de NL-se clubs?

1. Financiële positie Nederlandse clubs

De totale begroting van Eredivisie clubs is de afgelopen jaren gestaag gegroeid. Was het totaalbudget van de achttien beste voetbalclubs van Nederland vijf jaar geleden goed voor zo’n €393 miljoen, zo hebben de clubs het komend seizoen ruim €52 miljoen meer te besteden. De ‘grote drie’ – Ajax, PSV en Feyenoord –hebben hun afstand ten opzichte van de rest vergroot. Ondertussen loopt de achterstand van de Nederlandse competitie op de Europese topcompetities steeds verder op.

Een analyse van alle begrotingen van de achttien clubs die uitkomen in de Eredivisie laat zien dat zij in dit voetbalseizoen in totaal ruim €445 miljoen te besteden hebben. De traditionele topclubs Ajax, PSV en Feyenoord hebben veruit het meest te besteden. Samen zijn ze verantwoordelijk voor maar liefst €214 miljoen, bijna de helft van het totale beschikbare bedrag binnen de Eredivisie. Ajax staat dit jaar bovenaan met net als vorig jaar een geschatte begroting van zo’n €80 miljoen, gevolgd door PSV, dat vorig jaar met €85 miljoen nog het hoogste budget had, maar het dit jaar – onder meer door het missen van Europees voetbal – met maar liefst €15 miljoen minder moet doen. Feyenoord staat met €64 miljoen op de derde plek en is – grotendeels dankzij het behalen van de landstitel – de club waar de begroting sinds vorig jaar absoluut gezien het meest is gegroeid, namelijk met €5 miljoen.

2018_1_7_10_16_55

De traditionele top 3 maakt dus een gestage groei door, terwijl de subtop langzaam wegzakt. Voor de spankracht van de Eredivisie is dit niet goed, en de laatste 2 seizoenen was er weer sprake van een duidelijk top 3 op de ranglijst.

De oplopende begrotingen lijken erop te wijzen dat Nederlandse voetbalclubs steeds bedrevener worden in het koppelen van commercieel gewin aan hun sportieve prestaties. Aangezien er in 2012 met FOX een twaalfjarige deal werd gesloten over tv-gelden, zijn de inkomsten die hieruit afkomstig zijn de afgelopen paar jaar ongeveer gelijk blijven. De stijgende begrotingen zijn hier dan ook niet aan toe te schrijven.

Omdat de rechtsteekse plaatsing voor de Champions League komend seizoen vervalt, is het niet te verwachten dat de inkomsten uit het Europese voetbal de komende seizoen gaan stijgen. De enige stijging die verwacht kan worden, moet dus uit commercieel gewin komen.

2. Financiële positie buitenlandse topclubs 

Hoewel de begrotingen van de Eredivisieclubs gemiddeld gezien een gestage groei vertonen, raken de Nederlandse clubs steeds verder achter op hun concurrenten uit de grootste competities van Europa. In het jaarlijkse ‘Football Money League’-onderzoek van Deloitte, wijst de adviesorganisatie op de toenemende polarisatie tussen de steeds rijker wordende ‘big five’ – de Premier League, Primera División, Serie A, Bundesliga en Ligue 1 – en de overige Europese voetbalcompetities. Dit toont zich ook in het feit dat er in de lijst van 20 rijkste voetbalclubs die in het kader van het onderzoek wordt samengesteld slechts één club niet afkomstig is uit een van deze competities, namelijk het Russische Zenit St. Petersburg.

2018_1_7_10_28_17

De Engelse Premier League spant absoluut de kroon. Hier steeg de omzet met bijna 69%. In Duitsland groeide gedurende diezelfde periode de omzet met zo’n 42%. De Franse Ligue 1 realiseerde in dezelfde periode een stijging van 36%. In Spanje groeide de omzet met ruim 33%. In de Italiaanse Serie A was sprake van een iets bescheidenere groei. Hier steeg de omzet van €1,6 miljard naar €1,9 miljard, oftewel met 19%.

Hiermee vergeleken vallen de stijgende begrotingen in de Nederlandse competitie een beetje tegen. De verschillen zijn des te pijnlijker gezien de enorme (financiële) achterstand die Nederlandse clubs nu al een tijdje hebben ten opzichte van clubs uit grotere competities. Het afgelopen seizoen waren er ook voor het eerst clubs die meer dan €600 miljoen aan omzet bijeen wisten te brengen. Er waren zelfs meteen drie clubs die dit voor elkaar kregen: Manchester United, FC Barcelona en Real Madrid.

2018_1_7_10_32_57

In de periode tussen 2013 en 2017 wisten deze tien clubs een gemiddelde omzetstijging van maar liefst 36% te realiseren, waarmee de kloof ten opzichte van de kleinere clubs alleen maar aan het groeien is. 

Het onderzoek van Deloitte geeft ook inzicht in de manieren waarop de rijkste clubs van Europa hun geld verdienen en hier blijken aanzienlijke onderlinge verschillen in te zitten. Bij de zes allergrootste clubs – Manchester United, FC Barcelona, Real Madrid, Bayern München, Manchester City en Paris Saint-Germain – blijkt het grootste deel van de inkomsten afkomstig uit commerciële activiteiten zoals bijvoorbeeld sponsoring en de verkoop van voetbalshirts. Bij Manchester United (53%), Bayern München (58%) en Paris Saint-Germain (58%) zorgt dit zelfs voor meer dan de helft van de omzet.

2018_1_7_10_37_41

Ook verdienen de topclubs veel geld aan de verkoop van de tv-rechten van hun wedstrijden. Champion’s League-winnaar Real Madrid wist het meeste geld op te halen, zo’n €228 miljoen, waarmee de tv-opbrengsten goed zijn voor 37% van de omzet. Ook Manchester United (27%), Barcelona (33%), Manchester City (41%), Arsenal (41%) en Chelsea (43%) verdienden een aanzienlijk deel van hun omzet via uitzendrechten. Procentueel gezien verdiende Juventus het meeste: met een bedrag van €196 miljoen is hier maar liefst 57% van de omzet afkomstig van tv-rechten.

Het deel van de omzet dat wordt verdiend aan de supporters in de stadions is over het algemeen bescheiden. Manchester United verdiende hier absoluut gezien het meeste aan (€138 miljoen), terwijl deze inkomstenbron bij Arsenal (€134 miljoen) relatief het belangrijkst is, door te zorgen voor 29% van de omzet.

 

De enorme bedragen die de topclubs verdienen dankzij met name de commerciële activiteiten en de verkoop van uitzendrechten, illustreren nog maar eens hoe de Eredivisie steeds verder aan het achterraken is op de grote competities in Europa. Alleen al de bedragen die in de stadions worden verdiend, waarvan zojuist werd vastgesteld dat ze de minst belangrijke inkomstenbron vormen voor Europese topclubs, stijgen uit boven de gehele omzet van Ajax, de grootste verdiener uit de Eredivise (zo’n €110 miljoen). Voor de uitzendrechten kreeg Ajax het afgelopen seizoen zo’n €9,3 miljoen. West Ham en Leicester – de nummer 11 en 12 uit het vorige seizoen van de Premier League – ontvingen hiervoor ondertussen respectievelijk €116 miljoen en €127 miljoen.

Bron: www.consultancy.nl

Het mogelijk duidelijk zijn dat als we zo doorgaan met de Nederlandse competitie, dat we de aansluiting met de Europese subtop zelfs verliezen. Om nog maar over de Europese top te zwijgen. Tijd voor een oplossing om ons voetbal uit het slopen te trekken en onze slagkracht te verbeteren. Eindelijk dan toch tijd voor een Beneliga?

3. Beneliga: een idee dat al langer speelt

De grootste voorvechter van nieuwe competitieopzetten was legendarische PSV-preses Harry van Raaij (foto). In 2003 en eerder al pleitte hij voor een BeNeLiga of BeNeLux-competitie met 16 clubs met het Nederlands als voertaal.

Hij startte een reeks van “aftastende gesprekken” met de voorzitter van Anderlecht, Michel Verschueren. Verschueren had al vanaf 1996 veel inzet getoond voor een gezamenlijke competitie. Van Raaij’s motivatie voor het opzetten van een gezamenlijke competitie was zijn verwachting, dat een Europese liga zeker zou ontstaan in de toekomst. Als wij als België en Nederland niet op tijd stappen ondernemen, zal die Europese competitie bepaald worden door drie of vier landen. Dus moet je nu bouwen om er straks bij te zijn’, zei hij tegen het Eindhovens Dagblad.

Juist nu lijkt hier binnen een paar jaar sprake van te zijn, iets wat Harry van Raaij dus toen al erg goed had begrepen.

Maar Van Raaij was dus niet de eerste die met het plan voor een gezamenlijke Belgisch-Nederlandse competitie kwam. Anderlecht-voorzitter Michel Verschueren pleitte in 1996 al voor het plan. In België werd hij zeker serieus genomen, de clubs gaan om tafel maar er gebeurt weinig.

In de jaren daarna komt het idee meerdere malen bovendrijven, maar nooit wordt er concrete actie ondernomen. Nu zelfs de Europese subtop uit zicht verdwijnt en Nederland en België allebei een dramatisch Europees jaar doormaken, lijkt het besef bij beide landen aanwezig dat er iets moet gebeuren. Op de Europese coëfficiëntenlijst is te zien op welke puntentotaal Nederland en België dit seizoen gaan eindigen:

2018_1_7_18_52_1

Een seizoen die beide landen nog 5 jaar achter zich aan zal moeten slepen….

4. De mogelijke praktijk van de Beneliga

Welke clubs?

Als we naar de begrotingen kijken, zouden de volgende 18 clubs in aanmerking komen voor de Beneliga:

2018_1_7_19_19_14

Bij deze opzet zou de competitie een stuk aan kracht winnen: met o.a. Club Brugge, Standard Luik en Anderlecht erbij betekent het 6 extra beladen topwedstrijden per jaar en in dit overzicht zijn sterke clubs als Racing Genk en AZ gewoon clubs uit het rechterrijtje.

Het is niet verstandig het Belgische competitiemodel te hanteren, is België is daar momenteel veel weerstand tegen. De reguliere competitie is nu een soort doorgedreven voorbereiding geworden en met de nieuwe opzet zijn er zowiezo veel topwedstrijden voor alle clubs.

Voor spelers neem de aantrekkingskracht van deze competitie behoorlijk toe qua sportieve uitdaging en de weerstand voor topspelers in deze competitie wordt een stuk groter aangezien – met alle respect- wedstrijden tegen Excelsior, Eupen en Moeskroen niet meer voorkomen.

Inkomstenverhoging tv-deal

Zoals Stefan Szymanski en Simon Kuper in hun boek Soccernomics aantoonden, geldt de regel in het Europese voetbal: wie op de spelersmarkt het meest betaalt, oogst het meeste succes. Die loonachterstand is dan weer het gevolg van een levensgroot verschil inzake inkomstenbronnen zoals tv-rechten en ticketverkoop. In het meest optimistische geval kunnen België en Nederland hun tv-deal verkopen voor 250 miljoen euro, een sterke stijging maar nog altijd een trapje lager dan Frankrijk, de nummer vijf van Europa. In economische termen uitgedrukt zullen België en Nederland dus nog steeds de kleine, doch iets volwassener broer zijn van de Big Five.

Om een zo sterk mogelijke competitie te krijgen is het belangrijk de tv-gelden gelijkmatiger te verdelen dan nu in Nederland het geval is. In dat geval zullen de topclubs er met ca. € 10 miljoen op vooruit gaan, maar vooral de kleinere clubs zullen procentueel (mat ongeveer dezelfde toename in euro´s) een flinke stap kunnen zetten in hun begroting. Dit is een belangrijke stap omdat deze clubs nu makkelijker spelers kunnen behouden en het gat tussen top en subtop kleiner wordt.

Commerciële inkomsten: vermarkten van de competitie als collectief

Op dit aspect is de meeste winst te behalen, waarbij het vermarkten van de competitie het belangrijkst is. Als er 1 competitie is die dit uitstekend gedaan heeft, is het wel de Premier League. Begin jaren ´90  had Ajax een begroting die vergelijkbaar was met die van Manchester United, maar de Engelse clubs waren zich als eerste bewust van hun collectieve marktwaarde.

Het Engelse koloniale verleden in vooral Azië deed de rest: een wereldpubliek was klaar om veroverd te worden met live-voetbal uit een competitie met een zorgvuldig uitgekiend image, ‘de bakermat van het voetbal’. Met clubs die in prachtige, steeds fraaiere stadions gingen spelen, met steeds meer internationale sterren. Eric Cantona, Dennis Bergkamp, Gianfranco Zola.

Het bijzondere is: het Engelse voetbal is 25 jaar later nog steeds toonaangevend. Als het om internationale televisiedeals gaat, of over moderne mediarechten, bouwde het zijn voorsprong almaar verder uit. Premier League-wedstrijden worden bijna elk weekeinde gespreid over vier speeldagen, om zo een zo groot mogelijk televisiepubliek te bereiken. Voorheen was dat vloeken in de kerk, en nog steeds kun je stellen dat het Engelse voetbal zijn ziel heeft verkocht, en dat alles er om geld draait. Maar gebrek aan commerciële visie kun je de beleidsmakers niet verwijten.

,,De directeur, Richard Scudamore (foto), waakt als een leeuw over de uitstraling van de competitie”, aldus Chris Woerts. ,,Hier in Nederland gaan we rollebollend over straat als er iets collectief moet worden afgesproken, zeker als het om geld gaat. In Engeland is dat ondenkbaar. Aan de vergadertafels is het hard tegen hard, maar er komt nooit iets over naar buiten. Het collectief van de Premier League gaat boven alles.”

Het is dus belangrijk dat er -zonder het poldermodel- snel en kordaat beslissingen kunnen worden genomen in het belang van de competitie.

Is het dan alleen maar rozengeur, in de Premier League? Uiteraard niet. De hypercommerciële benadering van het voetbal heeft er toe geleid dat toegangskaartjes steeds duurder werden, en dat het Engelse voetbal steeds verder is afgedreven van zijn oorspronkelijke arbeiderspubliek. Het wemelt van de toeristen in de grote Premier League-stadions, iets wat de entourage bepaald geen goed heeft gedaan. Het is er stiller dan ooit.

En ten minste zo zorgwekkend: doordat Engelse clubs allemaal zakelijk te verhandelen zijn, anders dan bij het verenigingsmodel dat ze in bijvoorbeeld Duitsland kennen, zijn clubs steeds meer een klinisch vehikel voor rijke investeerders geworden. Ze worden opgekocht en doorverkocht, niet zelden aan overzeese zakenmensen die weinig op hebben met voetbal, of met de traditionele waarden van een specifieke voetbalclub.

Door de toestroom van buitenlandse topspelers krijgen de Britse talenten weinig kansen, ook een negatieve ´bijvangst´ van deze competitie.

De Premier League verkocht in de afgelopen 25 jaar alles: zijn clubs, zijn merkwaarde, zijn stadions, zijn toegangskaartjes, zijn merchandising, zijn mediarechten. Het leverde goud geld op, steeds betere spelers en een gelikt image, met aantrekkingskracht tot in alle uithoeken van de wereld. De League betaalde er ook een prijs voor, al is het dan een abstracte. De competitie verloor haar ziel.

Nu is het onmogelijk de Premier league te imiteren, dat moet de Beneliga ook niet willen. Wel kan het er de juiste dingen van leren om zich juist te vermarkten. En van de negatieve ontwikkelingen om deze juist niet toe te passen. Het is goed voor de Beneliga om zich als volgt te positioneren:

  • Swingende competitie met kansen voor zelf opgeleide spelers (stel een minimum in om dit te stimuleren). In de Premier League is dit een groot kritiekpunt.
  • Voorportaal voor de grotere competities voor talentvolle spelers uit Scandinavië, Zuid-Amerika, China/Japan en Afrika (het minimumsalaris voor niet EU-spelers zou hierbij moeten vervallen om dit mogelijk te maken). Hierdoor zal de aandacht vanuit deze groeimarkten groot worden, wat de commerciële inkomsten bevordert.
  • Houd toegangsprijzen laag, zorg voor volle stadions en veel sfeer. maak hierover afspraken met de clubs.
  • Straal innovatie uit: probeer voorloper te zijn op meerdere gebieden (spelregels, camera´s in kleedkamers, enz.)

Dit is de enige manier voor Nederlandse clubs om weer enigszins aansluiting te krijgen bij de Europese subtop, maar wat nog belangrijker is: het geeft een kans om dit uit de bouwen bij de juist positionering, zoals hierboven omschreven.

Op de korte, maar vooral de lange termijn zullen de inkomsten voor de clubs substantieel stijgen, weliswaar niet tot op Premier League-niveau, maar wel richting competities zoals de Franse en Italiaanse. Daarnaast zou het voor Nederlandse en Belgische topclubs weer mogelijk moeten zijn met een begroting die richting de 200 miljoen gaat, om weer een grotere rol te spelen in Europa. Hiermee wordt een vliegwiel aangezwengeld, die clubs in staat stelt hun spelers langer in de competitie te houden, waardoor de aantrekkingskracht blijft groeien en de inkomsten blijven toenemen.