Frenkie de Jong en het ontstaan, verdwijnen en opnieuw uitvinden van de libero

1. Ontstaan van de libero (jaren ’30 – jaren ’60)

Verrou

Het woord ´libero´is afkomstig uit het Italiaans, waar het ´vrij´ betekent, maar het idee van de vrije verdediger is niet origineel afkomstig uit Italië. Het idee van de vrije verdediger -door hem ´verrou of grendel’ genoemd- gaat terug tot Karl Rappan, De Oostenrijkse trainer van het Zwitserse nationale elftal in de dertiger jaren.

verrou-1938

Hij had op clubniveau al successen behaald met een vrije verdediger en hij besloot het systeem ook toe te passen op het WK in 1938. Rappans systeem werd uitgevoerd door een viermans defensie met daarbij een ausputzer achter drie ‘normale’ verdedigers. Het idee kwam vooral door de mindere kwaliteit van de Zwitserse selectie die hij wilde compenseren door een extra verdediger die doorgebroken spelers opving. Hij was hiermee een inspiratie voor vele trainers, en meteen een frustratie van teams met betere spelers.

Catenaccio

In de jaren vijftig werd deze tactiek verder uitgewerkt door Nereo Rocco (foto), die coach van Padova Calcio was: Het beroemde Italiaanse catenaccio-systeem, waarbij de nadruk ligt op verdediging en counters. Het systeem van Rocco, ook weleens het ‘eerste echte’ catenaccio genoemd, werd bekend toen hij in 1947 werkzaam was bij US Triestina. Hij speelde voornamelijk met een 1-3-3-3-formatie en speelde erg defensief. Met deze catenaccio werd de club verrassend tweede in de Serie A. In dit systeem is de vrije verdediger een extreem verdedigende speler, die vooral rond zijn eigen achterlijn te vinden is.

Het systeem is bekend geworden doordat de Argentijnse coach Helenio Herrera bij Internazionale er veel gebruik van maakte in de jaren zestig. Hij koos voor een libero als onderdeel van een vijfmans-defensie die mandekking toepasten. Inter won in die tijd geregeld wedstrijden met uitslagen als 1-0 of 2-1; met weinig tegendoelpunten dus.

Het ontstaan van de libero kwam dus vooral voort uit het willen inbouwen van defensieve zekerheid d.m.v. een ausputzer. Begin jaren ’70 veranderde dit.

2. Libero met aanvallende intenties (jaren ’70 – jaren ’90)

Begin jaren ’70 ontwikkelt de ausputzer zich tot een speler die zichzelf in balbezit inschakelt en inschuift richting het middenveld: de libero. Daardoor veranderen de eigenschappen die gevraagd worden van deze speler: techniek, inzicht, lange pass en een goed schot worden belangrijker. Hierdoor wordt dit een positie waarbij een extreme veelzijdigheid gevraagd is.
Het totaalvoetbal tentoongespreid door Ajax en Oranje begin jaren ’70, zorgt door de vele positiewisselingen voor veel problemen bij het catenaccio-systeem, dat op mandekking gebaseerd is.
Bij het succesvolle Ajax van begin jaren ’70 zien we de rol van libero ingenomen worden door de Duitser Horst Blankenburg. Qua stijl had hij behoorlijk veel weg van Frenkie de Jong, meestal opkomend aan de linkerkant van het veld en voetballend comfortabel. In de rug gesteund door de sterke mandekker Barry Hulshoff,  kon hij zich vooral bezighouden met de opbouw. Vreemd genoeg speelde hij geen interlands voor Duitsland, alhoewel, eigenlijk niet zo vreemd, aangezien hij daar Franz Beckenbauer voor zich had. Hij had eigenlijk alles wat een libero moest hebben: inzicht, techniek, heerlijke pass vooral buitenkant rechts, een versnelling, kopkracht, maar vooral een goede uitstraling die vertrouwen gaf aan de trest van zijn team. Nu nog is ‘der kaiser’ de verpersoonlijking van de libero, bij het googlen komt zijn afbeelding direct in beeld.
De Italianen hebben inmiddels een antwoord gevonden op het totaalvoetbal d.m.v. Zona Mista (Italiaans voor ‘gemengde zone’) Het was een combinatie van de kracht van zonale dekking en de sterke punten van het catenaccio. Tijdens het einde van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig was Zona Mista de dominante tactiek en tijdens het WK 1982 beleefde het Italiaans voetbalelftal grote successen door de wereldtitel binnen te slepen. Een sterke libero komt bovendrijven in de persoon van Gaetano Scirea, die vele successen zal gaan behalen met Juventus en het Italiaanse elftal, maar als onderscheidende kenmerk heeft ten opzichte van Beckenbauer en Blankenburg dat hij verdedigend erg sterk en in balbezit iets minder avontuurlijk is.
In dezelfde periode (eind jaren ’70, begin jaren ’80) heeft ook Argentinië met Daniel Passarella een uitstekende libero in zijn gelederen. Zijn bijnaam luidde “El Gran Capitán” (de grote kapitein) of “Kaiser” (een verwijzing naar Franz Beckenbauer) vanwege zijn grote leiderschapskwaliteiten, zijn passie en zijn organisatievermogen op het veld. Ook in de lucht heerste Passarella, zowel in de verdediging als in de aanval. Ondanks zijn geringe lengte (1.73) scoorde hij regelmatig met het hoofd. Hij had een sterke vrije trap en was goed in het nemen van strafschoppen. Hij was ook berucht om het gebruik van zijn ellebogen tegen tegenstanders zonder dat de scheidsrechter het in de gaten had.  Passarella was een verdediger die graag meedeed in de aanval en regelmatig zijn doelpunten meepakte. Hij is tijdelijk de meest veelscorende verdediger ooit geweest, met 134 doelpunten in 451 wedstrijden.
Dit record is uiteindelijk verbroken door Ronald Koeman, die eind jaren ’80, begin jaren ’90 als speler van PSV, Barcelona en het Nederlands elftal, indruk maakte als libero met een goede strakke pass en een uitstekende vrije trap .
In deze periode hadden de meeste topteams een sterke libero, zoals: Franco Baresi, Manuel Sanchis, Lothar Matheus en later Fernando Hierro en Matthias Sammer, ieder met zijn eigen kenmerkende kwaliteiten. Tot eind jaren ’90 de zoneverdediging een steeds sterkere trend wordt en de libero langzaam verdwijnt. Als belangrijkste reden hiervan kan worden gezien, dat er tactisch steeds beter ingespeeld kan worden door een tegenstander op 1 balvaardige opbouwer (de libero) en 1 voorstopper die zich over de spits ontfermt. Door de libero vast te zetten, wordt de mindere opbouwer gedwongen om op te bouwen.

3. Het verwijnen van de libero (jaren ’00 en ’10)

Wat volgt is een periode waarbij de verdediging met 4 man op 1 lijn gewoongoed is bij de meest succesvolle teams. Toch wordt er incidenteel nog succes geboekt met een libero: zo wint het kwalitatief zwakke Griekenland met Dellas als defensieve libero het EK in 2004, een tactische vondst van Otto Rehhagel. In zo’n geval kan een dergelijk systeem toch nog zijn waarde hebben.
Maar over het algemeen dus 2 centrale verdedigers naast elkaar: de ene centrale verdediger pakt de spits op, de andere geeft rugdekking, of andersom. Beide centrale verdedigers verzorgen de opbouw. Maar zelden wordt er risico genomen of flair getoond aan de bal door deze spelers, dat is vooral de taak van de backs (denk aan Lahm, Marcelo, Alaba) en de verdedigende middenvelders (Pirlo, Xavi, Xabi Alonso) de laatste jaren. Daarnaast is het meevoetballen van keepers de laatste jaren van een steeds hoger niveau geworden, zodat ook zij de opbouw van achteruit mede kunnen verzorgen.
De centrale verdediger is deze periode fysiek sterk en lang (minimaal 1.85), vooral verdedigend uitblinkend, houdt de afstand tussen collega-verdedigers goed in de gaten en neemt aan de bal weinig risico. Daarnaast houdt hij sterk vast aan zijn positie in de zone.

4. De revival van de libero (2015-)?

3-mans-verdediging

Wat we sinds een aantal jaar zien, is de opkomst van een drie-mans-verdediging. Ronald Koeman deed het al bij Feyenoord, Louis van Gaal bij het Nederlands elftal op het WK in 2014 en Antonio Conte bij Juventus, het Italiaans elftal en Chelsea. Zo ontstaat de libero 2.0. Vanuit de laatste lijn bestrijkt hij het hele veld en bemoeit hij zich nadrukkelijk met de opbouw. Veelal kleinere spelers met een ander profiel als de centrale verdediger uit de voorgaande jaren. Zo staat bijvoorbeeld Cesar Azpilicueta bij Chelsea in de Premier League op vijf assists: allemaal voorzetten op spits Álvaro Morata.

Een rol die in Engeland beschreven is als ‘box-to-box-center-back’ en zich niet beperkt tot Chelsea. David Alaba (1,80 meter) en Joshua Kimmich (1,76) maakten onder Pep Guardiola indruk vanuit deze nieuwe taakopvatting bij Bayern München. Zoals Benjamin Henrichs (1,83) en Wendell (1,76) regelmatig zo spelen bij Bayer Leverkusen en Gary Medel (1,71) dat heeft gedaan in de driemansdefensie van Chili.

Vooral in Spanje en Duitsland is de driemansdefensie aan een stevige opmars bezig. In beide competities wordt dat mede veroorzaakt door trainers die hun teams in verschillende formaties laten aantreden, waardoor ook opties met drie verdedigers aan bod komen. Denk daarbij aan teams als Barcelona, Sevilla en Borussia Dortmund.

De Eredivisie is een verhaal apart, aangezien de trends uit de internationale competities daar geen enkele invloed lijken te hebben. In de gehele jaargang 2014/15 begonnen slechts vier teams in een formatie met drie of vijf verdedigers. Goed voor nog geen één procent van het totaal. In 2015/16 gebeurde het 25 keer en in de huidige jaargang zes maal. De komst van Erik ten Hag als trainer bij FC Utrecht verklaart bijna alle variatie. Hij startte zelf een aantal keer in een 5-3-2-formatie en tegenstanders wisselen tegen de Domstedelingen vaak van tactiek. Zijn aanstelling bij Ajax is uit dat oogpunt bijzonder interessant: gaat hij voortborduren op de bij FC Utrecht gekozen tactiek of niet?

Bron: VI Pro

4-mans-verdediging

Maar niet alleen in een 3-mans-defensie komt de libero-rol meer naar voren, de laatste jaren wordt, vaak afhankelijk van de tegenstander, de rol van libero nieuw leven ingeblazen in een 4-mans-defensie. Zo speelde Xabi Alonso bij Bayern München in deze rol, net als Sergio Ramos bij Real Madrid. Meer en meer coaches denken dus aan deze mogelijkheid om een tegenstander de wil op te leggen.

Soms is een toevallige samenloop van omstandigheden de oorzaak van deze tactische vondst: al maanden klopte middenvelder Frenkie de Jong op de deur bij Ajax: comfortabel aan de bal, techniek en inzicht, versnelling en goede pass in huis. Probleem alleen is een goed middenveld waar niet echt plaats is met Donny van de Beek, Lasse Schone en Hakim Ziyech. Tot 26 november 2017 wanneer Ajax na een zwakke 1e helft met 1-1 gelijk staat tegen Roda JC. Trainer Marcel Keizer staat -wat later blijkt- onder druk en besluit het systeem om te gooien. Gevolg is het glasrijke invallen van Frenkie de Jong als libero voor Zeefuik en met 3 assists zorgend voor een 5-1 einduitslag.

In 1 van zijn laatste wedstrijden als trainer van Ajax, blaast Marcel Keizer de rol van libero nieuw leven in. Bijzonder, omdat het Nederlandse voetbal de laatste jaren toch niet bekend staat om zijn innovatieve ideeën. In de volgende wedstrijden (ook in de topper tegen PSV) blijft de rol van Frenkie de Jong gehandhaafd. Met succes: Ajax verliest geen wedstrijd meer en wint de toppers tegen PSV en AZ Alkmaar. Helaas vindt Marcel Keizer bij de na penalty’s  verloren bekerwedstrijd tegen FC Twente zijn Waterloo.
Grote vraag is nu of Erik ten Hag de rol van Frenkie de Jong zal handhaven, of zal kiezen voor zijn vertrouwde systeem die hij hanteerde bij FC Utrecht. Het Ajax van de laatste maand heeft laten zien dat het spelen met een libero nog kan in het hedendaagse voetbal, het is te hopen dat we de verdere ontwikkeling hiervan te kunnen volgen. To be continued….

 

 

 

Advertenties

Hoe kunnen we de winter- en zomerstop op een nuttige manier invullen voor de jeugd?

Kinderen en beweging, een combinatie die al jaren zorgen baart. De opkomst van schermpjes en het leeglopen van speelveldjes en speeltuinen lijkt een trend te zijn die alleen maar sterker wordt. Kinderen die spelen bij een voetbalclub lijken voldoende te bewegen, maar de buitensport voetbal ligt 2x per jaar totaal ca. 5 maanden (zo goed als) stil: in de winter 2 maanden en in de zomer bijna 3. Maar deze periodes lijken ook kansen te herbergen voor de ontwikkeling van kinderen.

1. Beweegt de jeugd genoeg?

Bewegen is goed voor de gezondheid en voor de ontwikkeling van sociale en cognitieve vaardigheden van kinderen. Bovendien houden kinderen over het algemeen van klimmen, klauteren, rennen en ontdekken. Toch blijkt uit cijfers dat meer dan de helft van de 4 tot 11-jarigen te weinig beweegt. Het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen, stelde de beweegpiramide op:

Afbeelding-Bewegen-met-plezier

Bron: www.allesoversport.nl

Als we naar de piramide kijken, lijkt de norm die daarin aangegeven wordt niet onhaalbaar, maar in de praktijk blijkt het anders te zijn.

Uit een internationale studie waar Nederland voor het eerst aan deelnam, bleek dat slechts 28 procent van onze kinderen voldoende beweegt.

In de studie werden Nederlandse kinderen met die van 38 andere landen vergeleken. Het probleem is niet dat er te weinig materiaal beschikbaar is (speeltuin, park, sportinfrastructuur). Daar scoort Nederland het beste in van alle landen. Nederlandse kinderen zijn ook kampioen in het zich actief verplaatsen. Tachtig procent van hen fietst of loopt naar school (of een andere plaats) in plaats van met de auto gebracht te worden. Verder sporten onze kinderen in hoge mate (74 procent).
Wat is er dan wel aan de hand? “Heel wat ouders denken onterecht dat hun kind daarmee al voldoende beweegt,” zegt inspanningsfysioloog Tim Takken van het Wilhelmina Kinderziekenhuis en mede-auteur van de studie. “Als je wilt dat je kind dat echt doet, dan komt het er op neer dat je zijn of haar hart dagelijks minstens een uur harder moet laten pompen dan wanneer het zich in een rusttoestand bevindt. Dat is de internationale norm die onderzoekers hanteren.”
Volgens Takken hoef je ook niet ver te zoeken om het povere cijfer van 28 procent te verklaren. “Het buitenspelen verliest het van de tablet, tv en computer. Ouders mogen dan een gerust gevoel hebben als hun kinderen zich op de bank koest houden, het gaat echt ten koste van de lichamelijke beweging. Scholen zouden bovendien een belangrijke bijdrage kunnen leveren door betere gymlessen en meer activiteiten tijdens de pauzes te organiseren.”

2. Wat doet de Nederlandse overheid?

Nog opvallender: de studie beweert over onvoldoende gegevens te beschikken om het overheidsbeleid te evalueren. “Dat betekent dat de Nederlandse overheid geen enkele strategie heeft om kinderen meer te laten bewegen, zegt Takken. ‘Als er ergens een succesje geboekt wordt, benadrukken politici dat maar al te graag. Maar ze komen amper met precieze doelstellingen op de proppen, en die worden nooit concreet geëvalueerd.”

Het kabinet-Rutte II had de wens vastgelegd in het regeerakkoord om kinderen meer te laten bewegen: er moest ten minste drie uur per week worden gegymd op basisscholen. Er werd 8 miljoen voor uitgetrokken. Hier is echter niets terechtgekomen. Basisschoolleerlingen krijgen hetzelfde aantal minuten gym per week als daarvoor (89) en kleuters sporten zelfs minder (113 minuten).

Bewegingsonderwijs wordt nog steeds gezien als ‘gymles’ in plaats van een serieus vak dat op gelijke voet staat met de cognitieve vakken als rekenen, lezen en schrijven. Want in hoeverre wordt er daadwerkelijk bewegingsscholing gedoceerd?

Van differentiatie in niveau van het aanbod, afgestemd op de mogelijkheden van de leerling zoals bij andere vakken gebruikelijk is, is absoluut geen sprake. En dat terwijl bewegingsonderwijs een enorme bijdrage levert aan een open toekomst voor kinderen. Door ze zowel motorische vaardigheden als andere positieve effecten van fysieke activiteit, sport en spel mee te geven, wordt kinderen immers de mogelijkheid geboden om te kiezen voor een leven met of zonder sport en bewegen. Een keuze die vrijwel onmogelijk is als de basisvaardigheden niet zijn aangeleerd.

Bron: www.sportknowhowxl.nl

Een groot deel van de Nederlandse kinderen beweegt dus te weinig en we hoeven niet veel te verwachten van ouders, de overheid of scholen om hier iets aan te gaan doen.

3. Winter- en zomerstop

Kinderen die bij een voetbalclub spelen lijken niet tot de groep te horen die niet genoeg beweegt: ze trainen 2x per week en spelen 1x per week een wedstrijd. Ware het niet dat het voetbal in 2 periodes (winterstop ca. 2 maanden en zomerstop ca. 3 maanden) bijna stil ligt. Vaak wordt er eind december nog een zaaltoernooi georganiseerd door de betreffende club, en eind mei nog een veldtoernooi (in mijn jeugd waren dit er 4!) en het seizoen is weer voorbij. Zonde omdat we weten dat er weinig ontwikkeling plaatsvindt in deze maanden. Vooral in de wintermaanden betekent een stuk minder beweging een rem op de fysieke ontwikkeling. Kinderen hebben door de korte dagen en het koude weer niet de drang om naar buiten te gaan.

Juist deze 2 periodes zouden aangegrepen kunnen worden om kinderen zich op een breed vlak te laten ontwikkelen.

4. Multisport

Het vergt een radicaal andere manier van denken en het is een uitgangspunt waar sommige sportbonden en clubs best een beetje zenuwachtig van worden: promotie van multisport.

Bij de Haagse voetbalclub HBS gelooft men in de kracht van andere sporten om beter te leren bewegen en weerbaarder te worden:  Het viel initiator Jeroen van der Kaaij op dat de motorische ontwikkeling van de kinderen soms wel wat te wensen over liet.

“De kinderen die goed kunnen bewegen, komen in de hoogste teams met de beste trainers, terwijl de andere kinderen het vaak moeten doen met een welwillende vader of moeder en dus niet die training krijgen. En dat eigenlijk alleen op basis van hun beweeglijkheid. (….) We zijn gaan kijken naar hoe we die andere sporten, waarin je beter leert bewegen, konden integreren in het voetbal. En daarbij staat niet de sport, maar het kind centraal.”

HBS4

Gesteund door wetenschappelijk onderzoek dat dit inderdaad positieve gevolgen had voor het kind, besloot HBS mee te werken aan het initiatief van Van der Kaaij. Eén training werd iedere week gebruikt om ook met andere sporten in de weer te zijn. Rugby, gym, atletiek en judo passeerden zo om de week de revue.

“Ik zou het toejuichen wanneer alle kinderen die gaan voetballen de eerste twee, drie jaar ook judotraining gaan volgen. Je moet niet op jonge leeftijd al vier keer in de week gaan voetballen, dat kan later wel. Olympische sporters waren vaak vroeger ook goed in verschillende sporten.”

Bron: www.knvb.nl

Multisport heeft vele voordelen, Margot van Beusekom van firma leef! zocht het uit en kwam tot de volgende voordelen:

1. Een brede lichamelijke en motorische opvoeding
Als kinderen op jonge leeftijd (<6 jaar) niet goed leren bewegen, lopen ze de rest van hun leven achter de motorische feiten aan. En met bewegen heb ik het eigenlijk nog niet eens over sporten. De bewegingswetenschappers, dat ben ik niet, onderschrijven dit. Dat is de theoretische wetenschap. In de praktijk zie je echter dat iedere sport de kinderen op een zo jong mogelijke leeftijd al wil binnenhalen. Je kan ze maar beter binnen hebben, dan gaan ze minder snel naar de buren. Vanuit een kortetermijngedachte begrijpelijk. Maar het beoefenen van één enkele sport op jonge leeftijd zorgt ervoor dat het kind heel eenzijdig leert bewegen.

‘Eerst bewegen, dan sporten, dan specialiseren. Doe je dat niet, dan krijg je houterig bewegende kinderen, die steeds moeilijker mee kunnen komen in het bewegings- en sportonderwijs’ – Stichting Multiskills

2. Een brede sociale ontwikkeling
Tweede reden waarom het belangrijk is voor kinderen een brede sportieve opleiding te genieten is de brede sociale ontwikkeling. Dan heb ik het niet meer per se over de allerkleinsten, voor hen is het vooral belangrijk in een vertrouwde omgeving, het liefst met vriendjes en vriendinnetjes te leren bewegen. Maar voor iets oudere kinderen is het heel goed om de verschillen in culturen en achterban van diverse sporten mee te krijgen. Hockey heeft nou eenmaal een andere cultuur dan de gemiddelde vechtsport. Allebei met hun eigen normen en waarden. Daar kunnen kinderen veel van leren.

‘Kinderen die op jonge leeftijd verschillende sporten beoefenen ontwikkelen zich ook beter op de volgende aspecten: life skills, sociaal gedrag, gezondheidsbewustzijn, omgang met een diversiteit aan mensen en sociaal kapitaal’ – Marije T. Elfrink-Gemser (RUG)

3. Focus op plezier in plaats van prestatie
Plezier in sport is een hot topic en terecht. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat kinderen die plezier hebben in hun sport succesvoller zijn dan kinderen die geen plezier hebben in hun sport. Als je dat combineert met het feit dat als kinderen meerdere sporten beoefenen per definitie de nadruk meer op plezier dan prestatie ligt, dan heb je een winnende combinatie. Meerdere sporten beoefenen, of het nu gelijktijdig of opeenvolgend is, houdt het leuk, afwisselend en spannend voor kinderen. Ze moeten niets, ze mogen vooral goed proeven en uitzoeken wat ze echt leuk vinden.

 

‘Bij het beoefenen van meerdere sporten ligt ook vaak de nadruk meer op plezier dan op prestatie. Kinderen die door hun omgeving meer gestuurd worden op plezier dan op prestatie zijn succesvoller dan kinderen waar dit andersom het geval is’ – Marije T. Elferink-Gemser (RUG)

‘Als een kind meerdere sporten doet, is het er bovendien ook minder snel op uitgekeken’ 
Jessica Gal (oud-judoka en fysiotherapeute)

4. Betere topsportprestaties
Plezier is ook de sleutel tot betere topsportprestaties: de vierde reden waarom multisport voor kinderen goed en belangrijk is. Een multisportontwikkeling van kinderen is goed voor onze topsportprestaties om twee redenen:

  • Enerzijds omdat we meer talenten kunnen vinden. Misschien had die volleyballer, die nu ergens in de regionale subtop speelt, wel de nieuwe Krajicek kunnen zijn? Als hij vroeger ook in aanraking was gekomen met tennis…
  • Tweede argument heeft te maken met afhaken. Kinderen die al van jongs af aan dag in dag uit met dezelfde sport bezig zijn hebben een grotere kans op lichamelijke en mentale blessures. Als kinderen te snel te eenzijdig leren bewegen is het risico op blessures groter (zie ook reden nr. 1). En als op te jonge leeftijd de focus op prestatie in plaats van plezier ligt bestaat het risico dat het kind mentale moeheid gaat vertonen (zie ook reden nr. 3). En dat is zonde!

Binnen de topsport en talentontwikkeling wordt de multisportgedachte dan ook al steeds meer toegepast. Ajax is bijvoorbeeld al jaren actief aan de slag met het Athletic Skills Model waarin onder andere voetballers leren vallen door te leren judoën.

Daarnaast zijn er mooie voorbeelden van topsporters die zo goed zijn in hun sport, juist omdat ze een multisportachtergrond hebben. Twee van mijn favoriete voorbeelden:

  • Zlatan wordt geroemd om zijn creativiteit en lenigheid. Dit heeft hij te danken aan zijn achtergrond in taekwondo.
  • Mark Cavendish geeft zelf aan dat hij denkt dat hij zo’n goede sprinter is omdat hij de sprint als een schaakspel ziet. Het schaken heeft hem geleerd altijd minimaal twee stappen vooruit te denken.

5. Jong geleerd is oud gedaan: hoge sportparticipatie vasthouden
Het belangrijkste tegenargument van non-believers in multisport is: de sportparticipatie van kinderen is al hoog, waarom zouden we dat anders aan moeten pakken? Mijn antwoord is dan altijd: om de daling van het aantal jeugdige sporters vanaf het 13de levensjaar te voorkomen. Hoe meer sporten je namelijk op jonge leeftijd probeert, hoe groter de kans dat je een sport vindt die je echt leuk vindt. Vaak hangt dit samen met aanleg voor een bepaalde sport, maar niet altijd! En hoe leuker je een sport vindt, hoe langer je deze blijft beoefenen. En dit is het uiteindelijke doel van een multisportontwikkeling van kinderen: investeren in een levenslang sportief leven.

‘Iemand die ergens goed in is zal er langer mee doorgaan. Dus een slimme sportkeuze telt’ – Kartijn Opstoel (HAN)

Bron: www.sportknowhowxl.nl

5. Conclusies en aanbevelingen

We zijn dus tot de conclusie gekomen dat kinderen te weinig bewegen, we weinig moeten verwachten van ouders en overheid en dat multisport een belangrijk aspect is bij de ontwikkeling van kinderen. Vraag is nu alleen, hoe we multisport kunnen integreren in de winter- en zomerstop. Het antwoord is: door creatief te zijn:

Winterstop

De Winterstop begint rond half december en wordt vrij snel gevolgd door de Kerstvakantie, waarin vaak door voetbalclubs een zaaltoernooi georganiseerd wordt. Dit is een uitermate geschikte periode (kinderen en trainers hebben vaak veel tijd) om een start te maken met multisport door voetbalclubs: daarbij kan gedacht worden aan:

  • Tafeltennistoernooi in de kantine
  • Dartstoernooi in de kantine
  • Boot-camp in de natuur
  • Orientatietocht in de natuur
  • Schaatsen
  • Fitness-sessie bij de plaatselijke sportschool
  • Parkeerplaats-voetbaltoernooi
  • Deelnemen aan een hardloop-evenement

Op deze manier worden de velden gespaard en krijgt de jeugd een breed scala aan bewegingsvormen in deze periode.

Als de Kersvakantie is afgelopen is het belangrijk om minimaal 1 keer doordeweeks en in het weekend een activiteit te organiseren. Daarbij kan gedacht worden aan:

  • Trefbal in gymzaal basisschool
  • Handbal in gymzaal basisshool
  • Apekooien in de gymzaal basisschool
  • Judo-les bij plaatselijk sportschool
  • Atletiekles bij plaatselijke atletiekclub
  • Zwemmen
  • Trimbaan + oefeingen

En als de eigen velden het toelaten:

  • Rugby
  • Stormbaan

Met creativiteit zijn er genoeg activiteiten te vinden om veel verschillende mogelijkheden te bieden. Het geeft daarnaast de mogelijkheid om ouders die niet veel met voetbal hebben te betrekken bij de club. Als het weer het toelaat, kan er natuurlijk ook gewoon een voetbaltraining plaatsvinden.

Zomerstop

De Zomerstop begint rond eind mei en eindigt eind augustus als het nieuwe seizoen weer aanvangt. Omdat de weersomstandigheden in deze periode vaak uitstekend zijn, geeft dit veel mogelijkheden om veelzijdig te sporten:

  • Sportdag met veel verschillende spellen
  • Hut bouwen in het bos (tevens teambuilding)
  • Zwemmen
  • Bootcamp
  • Kanotocht
  • Klimmen
  • Rugby
  • Voetbaltoernooi op Cruijff Court of ander klein klein kunstgrasveld
  • Hockeytoernooi
  • Handbaltoernooi
  • Orientatietocht wandelen
  • Orientatietocht fietsen
  • Atletiekles bij plaatselijke atletiekclub

Het zou goed zijn om minimaal 2x te blijven sporten: 1x doordeweeks en 1x in het weekend en te proberen kinderen te stimuleren om zelf in de tijd die overblijft te gaan sporten en spelen met vriendjes en vriendinnetjes. Daarnaast is het ook goed om af en toe een voetbaltraining te doen, op een losse, ontspannen manier.

Door op deze manier de winter en zomermaanden te overbruggen krijgen de motorische vaardigheden van kinderen een flinke impuls en worden 2 ‘verloren periodes’ nuttig besteed. Daarnaast zou het naar mijn mening ook goed zijn om regelmatig een alternatieve (deel van de) training te doen in het reguliere seizoen.

 

Welke dode hoeken heeft de Nederlandse jeugdvoetbalscouting?

Het mooie van voetballend Nederland is, dat er bijna overal in een straal van 5 km een voetbalclub is te vinden, met doorgaans goede faciliteiten. Alle ingredienten zouden aanwezig moeten zijn om talenten door het hele land in het vizier te hebben. Toch lijkt het alsof niet uit alle regio’s evenveel profvoetballers komen. Interessant om te onderzoeken in welke regio de meeste profvoetballers hun eerste stappen zetten als jeugdvoetballer en in welke regio’s talenten over het hoofd gezien worden.

1. Voetbaltalent is niet zeldzaam

Wat is talent precies? Vaak wordt talent namelijk verward met natuurlijke aanleg. Natuurlijke aanleg is echter wat je bij je geboorte meekrijgt. Dat zit in je genen. Door die natuurlijke aanleg te ontwikkelen en te trainen kun je een talent worden op een bepaald gebied. Iemand zonder natuurlijke aanleg op senso-motorisch gebied kan trainen wat hij wil, maar zal nooit een voetbaltalent worden. Het omgekeerd geldt echter ook; iemand met heel veel natuurlijke aanleg, maar die slechte training krijgt of heel weinig traint, zal ook nooit een groot voetbaltalent worden.

Wanneer ben je dan een talent? Volgens Francois Gagné*, een expert op talent-gebied, heeft 10% van alle voetballers genoeg natuurlijke aanleg om uit te groeien tot een voetbaltalent. Wie bij die beste 10% (1:10) van zijn leeftijdsgroep hoort is een matig talentvolle voetballer (lokale top). 1:100 is een gemiddeld talent (regionale top), 1:1000 een groot talent (landelijke top) en 1:10.000 een zeer groot talent (Europese top) en 1:100.000 is een extreem talent (wereldtop). Messi, Ibrahimovic en Özil zijn voorbeelden van volwassen extreme talenten. De jongens uit de O15 van Ajax en Feyenoord zijn grote talenten en de jongens van een lokale amateurclub uit een O15-1 of O13-1 team zijn matige talenten. Let wel: van al deze jongens kan het ‘talentvol zijn’ nog enorme sprongen vooruit en achteruit maken, omdat ze zich nog volop aan het ontwikkelen zijn. (zie het onderzoek van Simonton, 1999)

Uit alle wetenschappelijke onderzoeken en uit de feiten blijkt dat talent niet zeldzaam is. Of het nu om muziek, zang, kunst, sport of intellectueel talent gaat. Het barst zelfs overal van de talenten. Verder heeft de sportgeschiedenis aangetoond dat enkele tienduizenden beoefenaars vaak al genoeg kan zijn om daaruit een selectie te maken die de (wereld)top kan halen.

Bron: daardan.nl

2. Duitsland

Dietrich Weise was bondscoach van Liechtenstein toen hij eind 1996 vanuit Frankfurt werd gebeld. Hij was de laatste Duitse jeugdtrainer die succes had gehad met nationale jeugdploegen, begin jaren tachtig. Voor de probleemanalyse had hij niet lang nodig. Hij ergerde zich al twee jaar aan de lamlendige jeugdscouting in Duitsland. Het talent was er wel, maar niemand keek ernaar om.

Weise rekruteerde een jonge assistent – een 27-jarige ex-prof en vers afgestudeerde sportwetenschapper met de naam Ulf Schott – en samen keken ze waar dat onzichtbare talent zich moest bevinden.

De manier waarop ze dat deden was nogal simpel, vertelt Schott. ‘We pakten een grote kaart van Duitsland, zetten stickers op plekken waar profclubs met jeugdopleidingen zaten. Midden in de witte plekken, waar dus niet naar talent werd omgekeken, plaatsten we prikkers. Daar moesten we zijn.’

Op die plekken zetten ze inmiddels beroemde steunpunten (Stützpunkte) neer. Twee à drie trainers kregen een kantoortje bij een amateurclub, en zochten in de omgeving naar de talentvolle spelertjes van wie Weise altijd al vermoedde dat ze bestonden. De kern van de gedachte, zegt Schott, ‘was om de droom van elk kind om voetbalprof te worden levend te houden. Om bij die spelers iets te doen ontbranden: de zin om beter te worden.’

Bron: De Correspondent

In Duitsland erkende men dat er een aantal dode hoeken waren waar jeugdspelers niet voldoende gescout werden. In Nederland lijkt het, omdat Nederland veel kleiner is, veel minder waarschijnlijk dat er plekken zijn waar niet goed gescout wordt bij amateurclubs. Maar toch lijkt het een onderzoek waard om te kijken of dit ook echt zo is.

Werkwijze

We delen Nederland op in 25 regio’s en bij al deze regio’s wordt gekeken hoeveel inwoners deze heeft. Dit inwonertal is dan een percentage van het totale aantal inwoners in Nederland. Als vervolgens het percentage spelers uit een regio wordt vergeleken met het percentage inwoners, geeft dat een beeld van of er (goed) genoeg in deze regio wordt gescout.

Bijvoorbeeld: Utrecht heeft 8% van de inwoners van Nederland, maar slechts 4% van de Nederlandse profvoetballers komt uit Utrecht, dan is hier niet (goed) genoeg gescout in de jeugd.

Om te kijken bij welke club in welke regio de spelers hun eerste voetbalstappen hebben gezet, kijken we op Transfermarkt.nl en zoeken we eerst naar de topspelers (met een marktwaarde van € 7 Miljoen of meer) en subtopspelers (boven de € 2 miljoen).

3. Nederlandse top- en suptopspelers

De spelers van € 7 miljoen of meer zijn de zogenaamde topspelers, van Virgil van Dijk tot en met Erik Pieters. In deze categorie vallen veelal Internationals en het geeft aan of jeugdscouts in een bepaalde regio de talenten ontdekken die tot (nationale) toppers kunnen uitgroeien. De 2e kolom geeft het aantal inwoners per regio aan, de 3e het percentage van het totaal aantal inwoners in Nederland. Vervolgens het aantal gevonden spelers, het percentage van het totaal aantal spelers en de laatste kolom hoeveel procent +/- t.o.v. kolom 3. De laatste kolom geeft dus aan hoe goed er relatief gescout wordt:

Topspelers:

Top1

Opvallend in die overzicht zijn de goede cijfers voor de regio’s Rotterdam-Rijnmond en Hollands Midden en ook Haaglanden die aan elkaar grenzen. In deze gebieden weet men dus heel goed in te schatten wie uiteindelijk de top gaat halen. Veel van deze spelers zijn door Feyenoord gescout, denk aan Wijnaldum, De Vrij, Kongolo, Martins Indi, Fer, Bruma, Karsdorp en Aké, maar ook door Sparta Rotterdam: Strootman, De Roon, Willems (foto) en Depay.

Negatieve voorbeelden hierin zijn o.a. Friesland en Zuid-Oost-Brabant (lees: PSV-gebied) met 0 spelers. Opvallend ook dat de 3 Zuidelijke Provincies tezamen (Zeeland, Noord-Brabant, Limburg) slechts 2 topspelers voortbrengt, terwijl dit er statistisch gezien 8 zouden moeten zijn. De clubs in deze Provincies laten dus echt wat liggen wat betreft het inschatten wie uiteindelijk de top kan halen.

Voor de subtop wordt er gekeken naar spelers met een waarde tussen de € 2 en € 6,5 miljoen, van Berghuis t/m Stekelenburg:

Subtopspelers:

Top2

Hierbij komen Amsterdam-Amstelland, Kennemerland en Utrecht positief naar voren, terwijl er in de regio in Zuid-Holland nu redelijk naar verwachting wordt gescout, gemiddeld om en nabij de 0.

Negatief komt wederom Friesland naar voren samen met Zuid-Oost Brabant. Beide regio´s zouden totaal 7 top- of subtopspelers voort moeten brengen, in totaal zijn het er dus 0. PSV en SC Heerenveen scouten dus dramatisch bij de jeugd in hun eigen achterland.

Daarnaast weer heel Zuid-Nederland waar te weinig spelers gezien worden met potentie: 18 subtop-spelers zouden statistisch gezien hier vandaan moeten komen, in de praktijk zijn het er maar 6. Het lijkt er dus op dat er structureel iets mis is met de talentherkenning is dit gebied.

4. Nederlandse modale spelers en totaal

Vervolgens kijken we naar een grotere groep spelers: de Eredivisiespelers en een aantal uit de top van de Jupiler League. Enkele voorbeelden hiervan: Peet Bijen, Aaron Meijers, Xandro Schenk en Kenneth Paal. De waarde van deze spelers bedraagt tussen de € 400K en € 1,75 Miljoen:

Modaal

De Regio Twente scoort in deze categorie goed, maar de duidelijke uitschieter in positieve zin is Amsterdam-Amstelland. Wederom zwak: de Zuidelijke Provincies, vooral Midden- en West-Brabant en… je raadt het al: Brabant Zuid-Oost.

Als we vervolgens naar de totale groep spelers kijken, is er ook een kolom toegevoegd met het aantal verwachte spelers per regio, naast het aantal daadwerkelijk spelers:

Totaal

Duidelijk is hier te zien dat de regio´s Amsterdam + heel Noord-Holland en Rotterdam dik plussen, en dat de Zuidelijke Provincies dik in de min blijven. Als jeugdig talent kun je dus maar het beste in het Westen van het land wonen.

Midden- West-Brabant brengt 12 profspelers minder voort dan statistisch mogelijk zou moeten zijn, in Zuid-Oost Brabant zijn dit er 10. Ook de talenten in Friesland komen er, net als eerder vermeld bij de (sub) topspelers bekaaid vanaf.

5. Conclusies en aanbevelingen

In het scoutinggebied van PSV, Oost- en Midden Brabant, Noord Limburg en een stukje van België voetballen ongeveer 70.000 jongens onder de 18 jaar. Daar had PSV statistisch gezien de afgelopen 10 jaar tientallen grote en zeer grote talenten uit kunnen vissen. Jongens die goed genoeg waren voor het 1e elftal, voor Oranje en zelfs voor de Europese top. Maar waar zijn al die talenten? Waar zijn de toppers uit de eigen regio en uit de eigen opleiding? PSV heeft de afgelopen 20 jaar niet een spelertje uit die eigen regio weten te scouten en op te leiden tot een vaste waarde in het 1ste team, laat staan tot een wereldtopper.

PSV, maar ook andere clubs, KNVB, trainers en analisten moeten dan ook stoppen om slechte of matige prestaties te verklaren door te zeggen dat er minder talent voorhanden is of dat het een mindere lichting/generatie is. Dat kwam ook al voort uit dit artikel.

Goed scouten bij de jeugd is en blijft een kunst en vaak ook een kwestie van genoeg aandacht eraan besteden en geen spelertjes buitensluiten door alleen op jonge leeftijd te scouten. Deze handschoen is opgepakt door Henk Grim, die Worshops en een opleiding geeft tot voetbalscout, een goede ontwikkeling voor de talentherkenning.

Professionele voetbalclubs kunnen allemaal kiezen uit tienduizenden jeugdspelers uit de regio. Oranje-elftallen zelfs uit 500.000 jeugdspelers of 500.000 senioren. Aantallen zo groot dat het altijd barst van het talent. Als dat talent het gewenste topniveau echter niet haalt of tekort komt in vergelijking met het buitenland, dan ligt dat niet aan het talent of aan de lichting, maar dan is er iets mis met de wijze van selecteren én de door KNVB en profclubs gecreëerde omstandigheden/(leer)omgeving waarin die talenten worden opgeleid .

Bron: daardan.nl

Krijgen de juiste voetbaltrainers kansen in Nederland?

In Nederland zien we in het profvoetbal (Eredivisie en Jupiler League) bijna alleen maar oud-profvoetballers terug als trainer. Het komt zelfs regelmatig voor dat een trainer met slechts een paar jaar ervaring en zonder enig bewijs van kunde een kans krijgt in de eredivisie of zelfs een topclub. Opvallend en conservatief, omdat een goede ruiter niet per definitie een goed paard is (naar Co Adriaanse). In Duitsland is hier de laatste jaren een omslag in gemaakt door jonge ambitieuze trainers niet afkomstig uit het profvoetbal, een kans te geven en dit heeft de competitie schwung gegeven. Ze bewijzen dat een professionele voetbalachtergrond niet per se nodig is om je staande te houden in het profvoetbal. Wat kunnen wij in Nederland daarvan leren en welke trainers verdienen een kans bij een grotere club?

1. Welke eigenschappen moet een goede trainer hebben?

Een goede trainer moet leiding kunnen geven, open staan voor mensen en ideeen, een natuurlijk overwicht hebben, verstand hebben van oefenvormen, van taktiek, van hoe je een boodschap overbrengt, van hoe je omgaat met verschillende karakters binnen een groep, van leer- en groepsprocessen, van trainingsopbouw, van mensen kunnen motiveren etc. Allemaal zaken die je als voetballer niet nodig hebt om de top te bereiken.

Om goed te kunnen voetballen moet je heel veel natuurlijke aanleg hebben op senso-motorisch gebied. Dat is dus vooral een fysieke aanleg. Om een goede trainer of leraar te worden moet je veel natuurlijke aanleg hebben op mentaal gebied, namelijk op intellectueel-emotioneel-sociaal gebied. En daar blinken veel (oud)voetballers nu juist niet in uit. Bron: www.daardan.nl

Een oud-profvoetballer kan zeker een goede trainer worden dankzij zijn voetbalbagage, maar heeft zoveel dingen meer nodig die niet met het volgen van een (soms versnelde) cursus te leren zijn.

Christian Heidel (Schalke 04) ziet dat goede trainers  vrijwel altijd uit het jeugdvoetbal komen. ‘Daar hebben ze zich langzaam ontwikkeld. De ex-profs, die direct na hun spelerscarrière het vak in willen rollen, niet. Zij worden een half jaar assistent-trainer van de A-jeugd van hun club, en melden zich dan voor de cursus (om proftrainer te worden).’

‘Maar daar kijken ze alles af bij die goede jeugdtrainers. Die zijn gemiddeld ruimschoots beter – zowel analytisch als retorisch. Ze weten wat het is om voor een groep te staan, ze kunnen de aandacht van de spelers erbij houden. Dat doet Domenico (Tedesco) zo goed: die begeestert de spelers voor tactiek, voor training, voor de nabespreking.’

‘Niettemin zijn ex-profs vaak een veilige keuze (voor clubs). Het publiek denkt immers: ex-profs, die weten alles, die hebben alles meegemaakt. (…) Maar dat is een misverstand. Een goede leerling maakt nog geen goede docent.’

Wat Heidel zegt, is logisch en al veel vaker gezegd en geschreven. Maar probeer je voor te stellen dat zijn evenknieën bij Feyenoord, Ajax en PSV – Martin van Geel, Marc Overmars of Marcel Brands – zoiets zeggen. Bron: www.decorrespondent.nl

Als in het bedrijfsleven een manager wordt gezocht, ben je gek als je een schoolverlater zonder enige ervaring en alleen wat stage-ervaring aanstelt. Maar in de voetbalwereld is dit blijkbaar heel normaal…

2. Huidige situatie voetbaltrainers in Nederland

KNVB

De KNVB heeft jarenlang voetballers die meer gepresenteerd hebben tijdens hun voetballoopbaan voorgetrokken bij de Cursus Betaald Voetbal. Zo was het bijvoorbeeld zo dat beginnende trainers met 40 interlands of meer een verkorte cursus mochten doen. Op die manier haalden Frank de Boer, Phillip Cocu, Dennis Bergkamp, Patrick Kluivert en Michael Reiziger hun trainersdiploma. Dit druist echter tegen alle logica in, omdat juist deze beginnende trainers zonder ervaring nog het meeste te leren hebben.

Sinds kort zijn de privileges van oud-internationals minder geworden, zo werd John Heitinga zelfs geweigerd  voor de cursus omdat de regels bijgesteld zijn. Een goede zaak dat de KNVB dit inziet.

Een minpunt waar de KNVB nog niets aan deed is dat de cursus voor trainers uit het amateur- of jeugdvoetbal minder toegankelijk is, omdat het inschrijfgeld nogal hoog ligt voor een niet-exvoetbalprof (ca. € 20.000 in Engeland is de prijs van dezelfde cursus 8.250 euro) en er een beperkt aantal cursisten wordt toegelaten (12-16) en er vaak gekozen wordt voor ex-profs. De cursus wordt niet elk jaar gegeven om te voorkomen dat de markt wordt overspoeld met betaald voetbaltrainers. Saillant detail, in Engeland start twee keer per jaar een nieuwe cursus. De Engelse bond hanteert het standpunt dat de praktijk (resultaten) daarna uitwijst wie bij een club een goede coach is en wie niet.

Clubs

Als we naar de kenmerken van de trainers in de Eredivisie kijken, zien we een aantal opmerkelijke dingen:

  • Bijna alle trainers (16 van 18) hebben minimaal op het niveau middenmoot Eredivisie gespeeld

In Duitsland hebben 8 trainers zelfs geen profvoetbal gespeeld en bewijzen o.a. Domenico Tedesco (Schalke 04) en Nagelsmann (Hoffenheim) dat ze enorme aanwinsten zijn voor het trainersgilde. In Belgie wordt hetzelfde gedaan door Franky Dury (Zulte Waregem) en Felice Mazzu (Charleroi, foto hieronder).

In Nederland wordt dus nog veel waarde gehecht aan een verleden als profvoetballer, die vaak nog op een hoog niveau gespeeld heeft.

  • Geen trainers van onder de 40 jaar oud, de jongste trainer is 41 jaar oud

In Duitsland zijn er liefst 6 trainers onder de 40 jaar oud: Tedesco is 32, Nagelsmann zelf pas 30 jaar oud. Hier wordt dus minder naar leeftijd gekeken, wel naar visie en kwaliteit. Ze zijn vaak hoogopgeleid, welbespraakt, sociaal vaardig, breed geïnteresseerd en zonder noemenswaardige carrière als speler. Zoals de trainersopleider van de Duitse voetbalbond zegt: ‘Inmiddels is niet je status meer belangrijk, maar je inhoud.’

Waar in Duitsland veel waarde aan wordt gehecht, is kennis en kunde, vergaard door jarenlang nieuwsgierig zijn, uitproberen, evalueren, verdiepen en jezelf verbeteren. Iets wat het beste lukt buiten het oog van camera’s en publiek. Bron: https://decorrespondent.nl/6682/het-nederlandse-voetbal-heeft-meer-trainers-nodig-die-nooit-gevoetbald-hebben/590075158530-a183905a

3. Welke profclub-trainers presteren het beste?

Het lijkt of clubs bij hun keuze voor een hoofdtrainer vooral hun onderbuikgevoel laten bepalen. Trainers die al jaren sterk presteren en meer uit hun spelersgroep halen worden genegeerd.

Hoe kun je trainers het beste beoordelen op hun prestaties, of ze het maximale uit hun spelersgroep halen of zelfs meer, of onderpresteren met het aanwezige spelersmateriaal? Je zou de begroting naast de eindrangschikking van het seizoen kunnen leggen, maar de begroting geeft niet altijd het juiste beeld van de waarde van een selectie.

Daarom is het het meest betrouwbaar om de waarde (transfermarkt.nl) van de selectie naast de rangschikking te leggen, en daar uit een + of – cijfer te halen. Trainers die vaak een positief cijfer halen, weten meer uit een selectie te halen, dan dat de selectie waard is.

Voor trainers van clubs met de hoogste waardes is het bijna onmogelijk een groot +cijfer te halen, daarom worden er extra punten gegeven voor een kampioenschap, succesvolle play offs, bekerwinst of een Europese campagne. Zo is bijvoorbeeld  de Europese campagne van Ajax van vorig seizoen beoordeeld met +7.

Onderstaand het overzicht van de 10 trainers die het beste presteerden over de laatste 4 seizoenen:

Capture

Opvallend bovenaan Wilfred van Leeuwen, nu werkzaam bij FC Eindhoven, maar vanwege verschillende inzichten met het bestuur van FC Eindhoven volgend seizoen werkzaam voor Rijnsburgse Boys. De laatste 3 seizoenen presteerde hij uitstekend bij VVSB in de competitie, maar vooral met een halve finale in het bekertoernooi in het seizoen 15/16. Vreemd dat hij voor komende seizoen niet op een hoger niveau een kans krijgt.

Opvallend op een 2e plek op de lijst Wil Boessen, die het afgelopen half jaar uitstekend presteert met een bescheiden selectie bij FC Den Bosch en dit eerder al deed bij FC Oss. Jammer dat er weinig inschatting gemaakt kan worden over zijn 2 jaar in Thailand. In het eerste half jaar presteerde hij daar in ieder geval ook erg goed.

De jaren voorafgaand aan het overzicht presteerde hij ook geweldig bij Fortuna Sittard in de seizoenen 13/14 en 12/13 door respectievelijk 7 en 10 plekken hoger te eindigen dat de waarde van zijn selectie. Opmerkelijk dat zijn prestaties niet zo zijn ingeschat door een grotere club. Komende zomer is hij einde contract, zou een schande zijn als hij geen kans krijgt op een hoger niveau!

Verder zeer opvallend dat 3 trainer is de top 10 geen betaald voetbal hebben gespeeld (Van Leeuwen, Elsen en Wels), toch raar dat op dit moment elke trainer in de Eredivisie wel uit het profvoetbal afkomstig is. Trainers zonder betaald voetbalachtergrond bewijzen dus wel degelijk het vak in de vingers te hebben.

Voorts ook opvallend dat de nrs. 1 en 3 (Van Leeuwen en Steyn) een docentenachtengrond hebben, blijkbaar geeft dit tegenwoordig nog een groot voordeel voor het trainerschap, wat het verleden ook heeft bewezen, aangezien veel van de meest succesvolle Nederlandse trainers (Michels, Hiddink, Van Gaal, Beenhakker, De Haan en Adriaanse) dit ook hebben. Louis van Gaal gaf in dit interview aan hoeveel hij bij het trainerschap te danken had aan zijn achtergrond als docent: ‘Zo benader je leerlingen op een bepaalde manier vanuit een bepaalde filosofie en een bepaald karakter, en dat doe je bij voetballers precies hetzelfde. En zowel op school als in een voetbalteam heb je te maken met pikorde en verschillende culturen.’

Maurice Steyn, John Stegeman, Alfons Groenendijk en Erik Ten Hag presteren al een aantal seizoenen boven verwachting en verdienen een kans hogerop.

Als we dan kijken hoe de zogenaamde grote namen het doen, valt de balans over het algemeen negatief uit:Top

Opvallend ook dat 2 trainers die naar het buitenland gaan: Frank de Boer en Peter Bosz, volledig door de mand vallen en vasthouden aan hun eigen visie, terwijl flexibiliteit gewenst is. De ervaring om in afwijkende situaties een oplossing te hebben is een belangrijke eigenschap die blijkbaar ogenschijnlijk goede Nederlandse trainers niet beheersen. We zien dat John van ’t Schip een periode in het buitenland (waar hij overigens ondermaats presteerde) nodig had om het nu zo goed te doen met PEC Zwolle.

4. Welke trainers uit het amateur- en jeugdvoetbal verdienen een kans?

Ook bij de amateurs lopen veel ambitieuze trainers rond die niet op waarde worden geschat. Zo leveren dit seizoen in de Tweede Divisie Dick Schreuder (Katwijk), Danny Buijs (Kozakken Boys) en Niek Oosterlee sterke prestaties. Daarnaast halen Jeroen Rijsdijk (Excelsior Maassluis) en Pieter Mulders (Rijnsburgse Boys) veel uit relatief bescheiden selecties.

Weinig van deze trainers krijgen kansen in het betaald voetbal, mede omdat zoals eerder vermeld het aantal plaatsen voor de cursus betaald voetbal beperkt is. Zo konden Danny Buijs (foto) en Dick Schreuder  niet deelnemen aan de cursus, wat slecht is voor de doorstroming van talentvolle en ambitieuze trainers richting het betaalde voetbal niet ten goede komt. Later werd besloten om Buijs alsnog toe te laten.

Verder zijn er ook op lagere amateurniveaus ontzettend veel ambitieuze, kundige en talentvolle trainers. Het is alleen de kunst ze de kans te geven zich te bewijzen en ze goed te scouten.

Ook in het het jeugdvoetbal is veel trainerstalent, ze zijn immers gewend om zo goed mogelijk het aanwezige talent te benutten en verder te ontwikkelen. Het is zaak voor Nederlandse profclubs om deze trainers de kans te geven als de ambitie aanwezig is. Trainers die niet uit het profvoetbal komen, hebben vaak al een weg afgelegd waarbij ze kennis en kunde opgedaan hebben en boven zijn komen drijven zonder dat ze een grote voetbalnaam hebben.

Zo is bijvoorbeeld Ajax een talentvolle trainer in de opleiding: Frank Peereboom , die jarenlang ervaring heeft in de jeugd van Ajax en FC Volendam en een docentenachtengrond heeft. Bij PSV zijn ontzettend veel oud-profs als jeugdtrainer actief. Bij de onder 13 is Tim Wolf een selfmade trainer met op 29-jarige leeftijd al veel ervaring in de jeugdopleiding van PSV en een CIOS-achtergrond, wat hem een interessante trainer voor de toekomst maakt.

Bij Feyenoord heeft Melvin Boel een vergelijkbaar profiel, en bij AZ Alkmaar Robert Franssen, zeer veelbelovende trainers. Wat verder opvalt is dat bij de jeugd van topclubs bijzonder weinig trainers zonder profverleden rondlopen, dus ook daar weinig wordt gekeken naar talentvolle trainers zonder profverleden.

 

5. Conclusie en aanbevelingen

KNVB

Het systeem dat de KNVB hanteert is oneerlijk en zorgt ervoor dat voetballers met een rijke carrière worden voorgetrokken, terwijl juist deze beginnende trainers zouden moeten bewijzen dat ze capabel zijn om trainer te worden. Het was dan ook geen verrassing dat Phillip Cocu in zijn eerste seizoen hulp zocht bij Guus Hiddink en Giovanni van Bronckhorst hetzelfde overkwam en Dick Advocaat als hulp inschakelde.

De KNVB heeft dit onderkend en heeft de regels aangepast in het nadeel van voetballers met een rijke voetbalverleden. Jammer alleen dat maar 12 tot 16 trainers worden toegelaten, de KNVB zou toch moeten streven naar zoveel mogelijk gediplomeerde trainers. Daarom zou, volgens het Britse systeem, de proftrainerscursus toegankelijker moeten zijn zodat uiteindelijk de beste trainers boven komen drijven. De KNVB heeft een goede stap gezet door de cursus toegankelijker te maken voor trainers afkomstig uit het amateur- en jeugdvoetbal, nu wordt het tijd om het inschrijfgeld te reduceren en meer trainers toe te laten.

Clubs

Het trainersvak is een ervaringsvak waarbij er veel eigenschappen gevraagd worden die als voetballer helemaal niet belangrijk zijn. PSV (Cocu), Ajax (De Boer) en Feyenoord (Van Bronckhorst) gaven (bijna) onervaren trainers de kans hun carrière op te starten. Grappig dat Cocu regelmatig aangeeft m.b.t. talenten dat het bij PSV geen speeltuin is, zelf heeft hij in diezelfde speeltuin ervaring op heeft mogen doen als hoofdtrainer…

Clubs geven momenteel teveel kansen aan trainers met een rijke voetbalachtergrond en durven niet te kiezen voor ‘kleinere namen’ die al bewezen hebben als jeugd- of amateurtrainers potentie te hebben. Dit is conservatief en onverstandig. Scout trainers op hun ambitie, ervaring en prestaties, niet op trainers die op basis van hun voetbalverleden recht te hebben op een plek als hoofdtrainer.

Wat waren de kenmerken van AZ in het Europese successeizoen 2004-2005 en hoe kan dit door een Nederlandse club herhaald worden?

AZ haalde in het seizoen 2004-2005 op een haar na de finale van het Europa League toernooi. Wat waren de kenmerken van het team en is deze prestatie in de huidige tijd ook door een Nederlandse club te bereiken?

De voorgaande jaren

Martin van Geel begint in de zomer van 2002 als technisch directeur en treft een selectie aan met potentie, bestaande uit o.a. Barry Opdam, Michael Buskermolen, Barry van Galen, Jan Kromkamp, Robin Nelisse, Kenneth Perez en Olaf Lindenbergh. De kern van het latere succesvolle team is dus al aanwezig. Diezelfde zomer komt Tim de Cler als voltreffer over van Ajax, net als de nuttige breedte-aankoop Martijn Meerdink van de Graafschap.

Henk van Stee begint het seizoen als trainer maar wegens tegenvallende resultaten werd hij na 8 wedstrijden uit zijn functie ontheven. Co Adriaanse, bekend met Martin van Geel uit de gezamenlijke, succesvolle periode bij Willem II, wordt aangesteld als nieuwe trainer.

 

Adriaanse is dat seizoen verder nog zoekende met veel wisselende opstellingen en vaak spelend in een 4-4-2-formatie met een vrije rol voor Van Galen op het middenveld.

In de zomer wordt een belangrijke slag geslagen op de transfermarkt met alleskunner Denny Landzaat van Willem II, Henk Timmer (verhuurd aan Ajax) en aanvallend talent Stern Huysegems van Lierse SK. Na 3 speelronden wordt een 4-3-3-formatie gevonden waarbij de aanwezige aanvallende kwaliteit het beste rendeert. Enige minpunt is nog de wisselvalligheid: klinkende overwinningen worden afgewisseld met onverwachte nederlagen (Roda JC 2x,  Ado den Haag en RBC). De vijfde plaats aan het eind van het seizoen resulteert in een plek in de voorronde van de Europa League voor het volgende seizoen.

2004-2005

In de zomer van 2004 handelt Martin van Geel weer slim door de sterke en beloftevolle verdedigers Jaliens en Mathijsen op te halen bij Willem II, wat voor de nodige verdedigende stabiliteit zorgt in het elftal.

Tegen de opponent PAOK Saloniki in de voorronde voor de Europa League borduurt Adriaanse voort op de 4-3-3-formatie met deze opstelling:

Timmer (32) – Kromkamp (23) – Jaliens (25) – Opdam (28) – De Cler (25) – Landzaat (28) – Lindenbergh (30) – Van Galen (34) – Meerdink (27) – Huysegems (22) – Perez (29).

Een team waarbij de volgende kenmerken opvallen:

  • Ervaren
  • Nederlandstalig
  • Kern die al een aantal jaar samen is
  • Hongerige groep die tot op heden weinig prijzen won
  • Een middenveld met dynamiek en voetballend vermogen
  • Buitenspelers en een nummer 10 die tussen de linies kunnen spelen
  • Backs met diepgang
  • Veel creativiteit
  • Positiewisselingen voorin

Er wordt uit door de 2-3 winst een goede basis gelegd en thuis wordt het karwei bekwaam geklaard met een 2-1 overwinning, zie hier voor de beelden.

In de poulefase legt AZ in de eerste wedstrijden een stevige basis voor overwintering met fris combinatievoetbal tegen het sterke Auxerre (2-0) en het zwakke Amica Wronki (1-3) en het sterke Glasgow Rangers (1-0)

Vooral de uitslagen tegen Auxerre en Glasgow Rangers met beide veel (jeugd)internationals zijn verrassend te noemen. Inmiddels is de status van een aantal AZ-spelers gegroeid tot international: Opdam, Van Galen en Landzaat worden geselecteerd door bondscoach Marco van Basten.

In de tussenronde wordt Allemania Aachen geloot en in deze wedstrijden 0-0 uit en 2-1  thuis, wordt duidelijk dat de brede selectie een groot voordeel is, getuige de beslissende rol van Tarek Sektioui in deze wedstrijden.

In de achtste finale wordt het sterke Shaktar Donetsk geloot met een flink aantal Internationals en talentvolle Brazilianen en vooraf bekenen lijkt dit het eindstation voor AZ. In de heenwedstrijd zorgen echter 2 o.a. goede corners voor een verrassende 1-3 overwinning en in de terugdstrijd in Alkmaar (2-1) is AZ zelf heer en meester en met soepel combinatiespel was een grotere uitslag zeker mogelijk.

Weer een ronde verder in Villareal de opponent, met o.a. de Argentijnse internationals Sorin en Riquelme en Spaanse internationals Pepe Reina en Senna. In de heenwedstrijd in Spanje durft AZ weer brutaal vooruit te voetballen en mede dankzij een door Timmer gestopte penalty wordt een verdiende 1-2 zege behaald. In de thuiswedstrijd wordt met enig fortuin met 1-1 gelijkgespeeld en de halve finale is een feit! Domper is het uitvallen van het centrale duo Mathijsen (blessure) en Opdam (rode kaart).

Met Lindenbergh en Vlaar als vervangers centraal achterin en een viermans-middenveld is AZ in de uitwedstrijd tegen Sporting Lissabon de mindere, maar de uitslag (2-1) biedt toch persectief  voor de thuiswedstrijd. De thuiswedstrijd is een thriller waarbij het 2-1 Is na de reguliere speeltijd en de finale binnen lijkt na het doelpunt van Jaliens 1 minuut voor tijd. In de blessuretijd dompelt Sporting AZ in rouw door de 3-2 te maken.

Is dit succes nu te herhalen en wat is hiervoor nodig?

Hiervoor zijn een aantal ingrediënten belangrijk:

Een technisch directeur die goed kan inschatten waar kansen liggen in de Eredivisie of andere competities om gerichte versterkingen te halen.

Twee transferperiodes wist Martin van Geel gerichte versterkingen te halen die het elftal op zwakke plekken sterker maakten. Een goede kennis van de Nederlandse competitie en kennis van contracten van spelers van zijn voormalige club Willem II hielp hier enorm bij. Ook niet de noodzaak hebben om te verkopen was belangrijk om de groep intact te houden. Hierbij werd AZ geholpen daar de financiële steun van Dirk Scheringa.

Een overwegend Nederlandstalig spelersgroep met routine waarbij de kern bij elkaar wordt gehouden en er elk jaar wordt doorgeselecteerd.

Als goede voorbeeld nu kan Feyenoord worden genomen. Een ervaren kern (Jones, Botteghin, Van der Heijden, El Ahmadi, Toornstra) en voornamelijk Nederlandstalig. De gerichte aankopen St. Juste, Amrabat, Haps en Boetius hebben Feyenoord in de breedte ook zeker sterker gemaakt. Mede door de blessures centraal achterin, het ontbreken van Kuyt en sterke tegenstand in de Champions League komt Feyenoord nu Europees niet uit de verf, maar het kampioenschap van afgelopen seizoen was het resultaat van een goede kern en gerichte versterkingen.

Het is een pre als de spelersgroep in het verleden weinig prijzen won en daardoor hongerig is.

Een mooi voorbeeld is PSV, waar vorig seizoen de verzadiging optrad en het heilige vuur ontbrak. Verversing van de selectie is dan nodig om de honger weer aan te wakkeren. Het AZ van 2004-2005 was ervaren, maar de spelers hadden nog weinig prijzen gewonnen en er was een duidelijke honger om ver te komen.

Een selectie die fit en op sterkte is voor het ingaan van de voorrondes van de Europese wedstrijden.

Als negatief voorbeeld kan Ajax dit seizoen genomen worden, waar het onvoldoende opvangen va het vertrek van Sanchez, Klaassen, Tete en Traore resulteerde in Europese uitschakeling. Ook is het belangrijk dat een team al fit genoeg is om in de voorronde de volledige wedstrijd gas te geven. Erik ten Hag had daar een duidelijke mening over.

Een selectie met 15-16 gelijkwaardige spelers.

Bij AZ was dit van cruciaal belang, spelers als Sektioui, Ramzi, Jaliens, Nelisse en El Khattabi konden in het elftal komen zonder dat het ten koste ging van de kwaliteit. Ook zorgden zij ervoor dat Adriaanse kon variëren.

Een goede spelhervatting (er werd door AZ veelvuldig gescoord uit (ingestudeerde) corners).

Een duidelijk wapen van AZ dat profiteerde van de goede traptechniek van Perez en Van Galen. Dit leverde een aantal cruciale treffers op, op ook cruciale momenten.

Zelfbewustzijn en geen ontzag voor op papier sterkere tegenstanders.

Een opvallende eigenschap van het team dat in de goede zin van het woord brutaal was. Mede daardoor werd het verschil met op papier sterkere tegenstanders als Auxerre, Glasgow Rangers Shaktar Donetsk en Villareal gecompenseerd. Het zelfbewustzijn was zichtbaar groot, hier heeft Adriaanse ongetwijfeld een rol in gespeeld, maar is ook het gevolg van de samenstelling van de spelersgroep.

Een trainer die durft aanvallend voetbal te spelen met overlappende linies, ruimte voor creativiteit en opkomende backs.

De Hollandse School lijkt bijna verdwenen als Nederlandse clubs Europa ingaan. Vaak wordt gekozen voor defensieve zekerheid om vooral niet ‘naief’ te zijn. Juist door aanvallend voetbal kunnen we ons nog onderscheiden, het AZ van 2004-2005 had dit goed begrepen. Ook bij het Ajax van afgelopen seizoen was dit in de Europese thuiswedstrijden terug te zien.

Prioriteit geven aan de Europese wedstrijden. 

Het AZ van 2004-2005 wist zich extra op te laden voor de Europese wedstrijden en mede daardoor ook zo ver te komen. Voor een aantal Nederlandse clubs is de Europa League de laatste jaren een 2e prioriteit geweest naast de competitie, wat ook ten koste is gegaan van de positie van Nederland op de UEFA coëfficiëntenlijst. Hierdoor moeten clubs steeds eerder in actie komen in de voorrondes, terwijl de selectie nog niet rond is en het team nog niet lang genoeg in training, wat weer voor een sneeuwbaleffect zorgt.

 

Conclusie: ook nu is dit te bereiken door een Nederlandse club, al is het wel belangrijk rekening te houden met zoveel mogelijk van de bovengenoemde aspecten. Niet voor alle Nederlandse clubs zal dit financieel haalbaar zijn, maar voor de top 3, aangevuld met AZ, FC Utrecht, Vitesse en SC Heerenveen en in potentie FC Twente is vasthouden aan de meeste van de bovenstaande punten zeker mogelijk. Dit zal er ongetwijfeld voor zorgen dat er Europees weer meer punten worden gepakt en er meer aansprekende resultaten worden behaald.